Grondstoffengebruik en afvalpreventie
Bedrijven kunnen op diverse manieren werken aan een circulaire economie. Een manier is door in hun bedrijfsprocessen maatregelen te nemen voor het efficiënt en effectief gebruik van grondstoffen en het voorkomen en beperken van afval. Dit onderwerp in het CMP gaat over grondstoffengebruik en afvalpreventie in bedrijfsprocessen en hoe bevoegd gezag dit mee kan nemen in de omgevingsvergunning.
De Omgevingswet (Ow) bevat wettelijke grondslagen waarmee bevoegde gezagen verplichtingen over grondstoffengebruik en afvalpreventie in de bedrijfsprocessen moeten en kunnen vastleggen. Dit gebeurt tijdens het vergunningverleningsproces voor de omgevingsvergunning en is met name ter implementatie van de Europese (Rie). De verplichtingen die de wet hierover stelt zijn echter vaak zeer algemeen geformuleerd en op diverse plekken vastgelegd. Daarom geeft het CMP hier een toelichting op wat de verplichtingen uit de Omgevingswet voor de omgevingsvergunning precies zijn.
Handreiking bij dit onderwerp
In de bijbehorende Handreiking grondstoffengebruik en afvalpreventie in de omgevingsvergunning (pdf, 348 kB) biedt het CMP vervolgens handvatten om aan deze wetgeving te voldoen. Kortom, de wetgeving bepaalt waarover er afspraken moeten of kunnen worden gemaakt en het CMP gaat in op hoe daar dan invulling kan worden gegeven. Het CMP bevat echter geen toetsingskader voor vergunningverlening waar bevoegd gezag volgens artikel 10.14 van de Wet milieubeheer (Wm) rekening mee moet houden.
1. Doelgroep
Dit onderwerp is bedoeld voor vergunningverleners en toezichthouders voor de industrie en voor producerende bedrijven.
Voor vergunningverleners en toezichthouders geeft het inzicht in de wettelijke grondslag om grondstoffengebruik en afvalpreventie mee te nemen bij hun taken in het kader van de Ow. Voor de uitvoering geeft de Handreiking grondstoffengebruik en afvalpreventie in de omgevingsvergunning (pdf, 348 kB) handvatten om invulling te geven aan deze verplichtingen.
Het CMP focust voor dit onderwerp op de omgevingsvergunning omdat de wetgeving daarvoor verplicht om aandacht te besteden aan het gebruik van grondstoffen en preventie van afval. Daarom is dit onderwerp in ieder geval relevant voor vergunningplichtige bedrijven, zoals Seveso-inrichtingen, ippc-installaties en enkele andere grote milieubelastende installaties in de industrie. De genoemde circulaire maatregelen in de handreiking kunnen echter door alle type bedrijven worden benut.
Bedrijven lezen in paragraaf 3 welke wetgeving relevant is voor hun producten en processen. De handreiking laat zien welk soort maatregelen zij kunnen nemen om aan de eisen te voldoen en hun bedrijfsprocessen meer circulair en toekomstbestendig te maken.
2. Belang voor circulaire economie
Voor de transitie naar een circulaire economie kijken we niet alleen naar afval, maar naar hoe we omgaan met grondstoffen in de hele keten. In het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) zet de overheid in op vier circulariteitstrategieën: verminderen van het grondstoffengebruik, vervangen van grondstoffen, verlengen van de levensduur van producten en hoogwaardige verwerking van afval.
Bedrijven kunnen hun producten circulair ontwerpen. Daarnaast hebben keuzes in de bedrijfsprocessen invloed op de grondstoffen en hulpstoffen die ze gebruiken en het afval dat ze produceren. Door meer grip te krijgen op hun grondstoffen en afval, zijn bedrijven beter in staat risico’s in de keten te beheersen en innovatiekansen te benutten. Daarnaast zijn ze beter voorbereid op de veranderingen in de wetgeving op het gebied van circulaire economie.
3. Beleid en wetgeving
In paragraaf 3.1 wordt eerst kort geschetst welke wetgeving eisen stelt aan grondstoffengebruik en productie van afval. Het gaat om wetgeving voor producten en voor de processen om de producten te maken. Daarna wordt in paragraaf 3.2 voor bedrijfsprocessen in Nederland verder beschreven welke grondslagen er in de wetgeving zijn om dit mee te nemen in de vergunningen.
3.1 Wetgeving voor producten en processen
Bedrijven hebben zowel te maken met wetgeving voor de producten die ze op de markt brengen, als met wetgeving voor de processen op hun bedrijfslocaties. Daarnaast geldt voor bepaalde bedrijven bijvoorbeeld de wetgeving voor duurzaamheidsrapportage.
Productwetgeving
De productwetgeving bestaat bijvoorbeeld uit de Europese verordening over de productie van en handel in chemische stoffen (REACH) en de Ecodesign verordening voor duurzaam ontwerp van producten. REACH stelt eisen aan het in de handel brengen en toepassen van chemische stoffen in producten. Onder de Ecodesign verordening worden per productgroep eisen aan het ontwerp van producten gesteld, zoals voor de repareerbaarheid en recyclebaarheid.
Wetgeving voor processen
Voor vermindering van grondstoffengebruik en afval in de bedrijfsprocessen is met name de Europese Richtlijn industriële emissies (Richtlijn 2010/75/EU) van belang. Deze is in Nederland geïmplementeerd in de Omgevingswet. De Richtlijn industriële emissies geldt voor bedrijfsprocessen die grote impact hebben op het milieu. Uitgangspunt van de Rie is onder meer dat het niveau van milieubescherming in de vergunningvoorschriften (mede) wordt bepaald door de toepassing van de beste beschikbare technieken (BBT) in de betrokken installatie. Voor veel bedrijfstakken worden hierbij ook eisen aan grondstoffengebruik en het voorkomen van afvalstoffen gesteld. De Rie is recent gewijzigd en in de gewijzigde Rie wordt nog meer aandacht besteed aan maatregelen om het ontstaan van afvalstoffen te voorkomen en om het gebruik van hulpbronnen en energie te optimaliseren. Deze wijziging moet nog worden geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving.
Paragraaf 3.2 gaat verder in op de verplichtingen en mogelijkheden om grondstoffengebruik en afvalpreventie mee te nemen bij een omgevingsvergunning. Zie paragraaf 5 Toekomstplannen voor meer informatie over de gewijzigde Rie.
Andere relevante delen van het CMP
Als bedrijven secundaire materialen gebruiken, dan is belangrijk om te weten of hun activiteiten ook aan de afvalwetgeving moeten voldoen. Daarvoor gebruiken zij de toetsingskaders in Afvalstof of niet-afvalstof. Naast maatregelen voor grondstofgebruik en afvalpreventie is ook het scheiden van afval voor veilige en hoogwaardige verwerking van belang. Hiervoor geldt een wettelijke verplichting voor alle bedrijven. Dit is toegelicht en verder uitgewerkt in het toetsingskader van Gescheiden houden bedrijfsafval en gevaarlijk afval.
In Overzicht wetgeving in de keten staat meer uitleg over de verschillende soorten wetgeving die relevant is voor circulaire economie bij productontwerp, productie, gebruiksfase en afvalverwerking.
3.2 Grondstoffengebruik en afvalpreventie in de vergunning
In Nederland is de vergunningverlening, toezicht en handhaving voor bedrijfsprocessen die effect hebben op het milieu geregeld in de Omgevingswet. Grondstoffengebruik en afvalpreventie komen in de Ow en onderliggende besluiten met name in de omgevingsvergunning aan bod. Bij het beoordelen en opstellen van een omgevingsvergunning zijn diverse momenten om grondstoffengebruik en afvalpreventie aandacht te geven. Zo moet bevoegd gezag bepaalde onderdelen van de vergunningaanvraag verplicht toetsen, bijvoorbeeld of er aan de aanvraagvereisten is voldaan. Op andere momenten kan bevoegd gezag zelf bepalen of het opleggen van eisen noodzakelijk is, denk aan de mogelijkheid om voorschriften aan de vergunning te verbinden.
In de Handreiking grondstoffengebruik en afvalpreventie in de omgevingsvergunning (pdf, 348 kB) worden de stappen in het vergunningverleningsproces en de bijbehorende verplichtingen en mogelijkheden voor het stellen van eisen nader toegelicht. Hierin worden bevoegd gezagen handvatten geboden om deze verplichtingen en mogelijkheden invulling te geven.
Uitgeschreven tekst figuur 1
Dit stroomschema laat de procedure zien rond een vergunningaanvraag. Het proces start met een vooroverleg. Daarna volgt de beoordeling van de aanvraag, waarbij drie aspecten centraal staan: de volledigheid van de aangeleverde gegevens, de toepassing van verplichte beste beschikbare technieken en de maatregelen voor grondstoffengebruik en afvalpreventie. Op basis van deze beoordeling wordt de vergunning verleend en worden de bijbehorende voorschriften opgenomen. Tot slot vindt toezicht plaats op de naleving van deze voorschriften.
In de onderstaande paragrafen worden de wettelijke grondslagen beschreven van wat bevoegd gezag moet en kan doen aan grondstoffengebruik en afvalpreventie bij de vergunningverlening. Hierin wordt toegelicht voor welke activiteiten dit van toepassing is. Vervolgens wordt voor het beoordelen van de vergunning ingegaan op de aanvraagvereisten, beoordelingsregels, beste beschikbare technieken en de milieueffectrapportage. Ten slotte wordt het verbinden van voorschriften aan de vergunning beschreven.
3.2.1 Welke activiteiten en vergunningen
Met een omgevingsvergunning kunnen burgers, bedrijven en overheden toestemming vragen om activiteiten in de leefomgeving uit te voeren. Er zijn verschillende zaken die aanleiding kunnen geven voor een vergunningplicht, bijvoorbeeld bouwen, maar ook effecten op het milieu. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn diverse milieubelastende activiteiten benoemd waarvoor regels gelden.
Als basis geeft artikel 4.22 van de Ow aan dat voor deze milieubelastende activiteiten onder andere regels worden gesteld met het oog op het zuinig gebruik van grondstoffen en doelmatig afvalbeheer. In het Bal is bepaald wat milieubelastende activiteiten zijn, voor welke van deze activiteiten een vergunningplicht geldt en welke regels van toepassing zijn op de activiteiten. Verschillende productieprocessen met grondstoffen als ertsen, metalen, kunststoffen, hout, papier en voedingsmiddelen zijn bijvoorbeeld aangewezen als milieubelastende activiteit. Het nemen van preventieve maatregelen is een belangrijk criterium voor het verlenen van vergunningen voor milieubelastende activiteiten.
Er zijn vier mogelijke aanleidingen om grondstoffengebruik en afvalpreventie te beoordelen:
- Aanvraag nieuwe vergunning
- Aanvraag wijziging verleende vergunning
- Actualisatie verleende vergunning door nieuwe BBT-conclusies
- Ambtshalve wijziging van verleende vergunning
Grondstoffengebruik en afvalpreventie kunnen zowel bij nieuwe vergunningen als bij de wijziging van een verleende vergunning aan de orde zijn. Bij bestaande vergunningen kan de vergunninghouder vragen om een wijziging van de vergunning of het bevoegd gezag kan de vergunning wijzigen. Bij een aanvraag voor een vergunning is bevoegd gezag verplicht om grondstoffengebruik en afvalpreventie aandacht te geven als de aanvraag daar gevolgen voor heeft. Deze verplichtingen en mogelijkheden worden in de paragrafen hieronder toegelicht.
Voor het toepassen van de beste beschikbare technieken zijn het bedrijf en bevoegd gezag verplicht om de vergunning binnen vier jaar te actualiseren (zie paragraaf 3.2.4 Beoordelen beste beschikbare technieken).
Daarnaast heeft een bevoegd gezag nog de bevoegdheid om een bestaande of verleende vergunning ambtshalve te wijzigen op grond van artikel 5.34 Ow en (Bkl). Het ambtshalve wijzigen is toegestaan op gronden waarop de aanvraag geweigerd kan worden. Het bevoegd gezag moet motiveren waarom een aanpassing van de vergunning nodig is. Bijvoorbeeld omdat het bevoegd gezag van mening is dat niet alle passende preventieve maatregelen worden genomen om milieuverontreiniging of het ontstaan van afvalstoffen te voorkomen, zoals artikel 8.9 Bkl voorschrijft. Hierbij mag bevoegd gezag de grondslag van de aanvraag van de vergunning niet verlaten. De vergunningaanvraag bepaalt wat er vergund kan worden. Is bijvoorbeeld een bepaalde verwerkingstechniek vergund? Dan mag bevoegd gezag niet in alle gevallen ambtshalve een andere techniek voorschrijven. Dat zou betekenen dat de grondslag van de aanvraag verlaten wordt.
3.2.2 Aanvraagvereisten vergunningaanvraag
Bij het aanvragen van een vergunning moet een bedrijf informatie aanleveren over de diverse onderwerpen die in de vergunning aan bod kunnen komen. Dit geldt ook voor gegevens over grondstoffen, hulpstoffen en afvalstoffen. Het bevoegd gezag moet de vergunningaanvraag vervolgens toetsen op volledigheid. Als de gegevens onvolledig zijn, kunnen aanvullende gegevens gevraagd worden.
De aanvraagvereisten voor omgevingsvergunningen staan in de Omgevingsregeling (Or). De algemene aanvraagvereisten die voor alle activiteiten gelden zijn beperkt en gaan over het beschrijven van de activiteit en de locatie. Daarnaast zijn er voor verschillende soorten milieubelastende activiteiten uitgebreidere en specifiekere aanvraagvereisten. In artikel 7.27 Or wordt voor bepaalde activiteiten informatie gevraagd over onder andere grondstoffen, hulpstoffen en afvalstoffen. Hiermee geeft de wetgeving de basis om voor deze activiteiten het grondstoffengebruik en productie van afval te beoordelen.
Artikel 7.27 Omgevingsregeling
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie, andere milieubelastende installatie, Seveso-inrichting, mijnbouwwerk, militaire zeehaven of luchthaven, het verrichten van milieubelastende activiteiten in de minerale producten industrie of voedingsmiddelenindustrie of het verbranden of verwerken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a. een beschrijving van:
1°. de milieubelastende activiteiten die worden verricht en de installaties;
2°. de grondstoffen, hulpmaterialen, andere stoffen en energie die worden gebruikt of gegenereerd;
3°. de emissiebronnen van de activiteiten;
4°. de aard en omvang van de emissies die zijn te voorzien in de bodem, het water en de lucht, met een overzicht van de significante milieugevolgen van de emissies;
5°. de toestand van het terrein van de installatie;
6°. de technieken die worden toegepast ter voorkoming of, als dat niet mogelijk is, ter vermindering van de emissies die zijn te voorzien in de bodem, het water en de lucht;
7°. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om het ontstaan van afval te voorkomen of, wanneer dat niet mogelijk is, te beperken en om hergebruik, recycling of andere nuttige toepassing van afvalstoffen voor te bereiden;
8°. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om de emissies in de bodem, het water en de lucht te controleren;
9°. de belangrijkste door de aanvrager bestudeerde alternatieven voor de voorgestelde technologie, technieken en maatregelen; en
10°. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om energie doelmatig te gebruiken; (…)
De aanvraagvereisten gelden niet voor alle bedrijven zoals blijkt uit de eerste zin van het artikel. Per milieubelastende activiteit uit het Bal is bepaald of de vergunningaanvraag moet voldoen aan de aanvraagvereisten uit artikel 7.27 Or. In de Handreiking grondstoffengebruik en afvalpreventie in de omgevingsvergunning (pdf, 348 kB) staat in de bijlage een lijst met de vergunningplichtige milieubelastende activiteiten waarvoor dit geldt.
3.2.3 Beoordelingsregels voor vergunningaanvraag
Vervolgens volgen uit artikel 8.9 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de beoordelingsregels voor het verlenen van vergunningen voor milieubelastende activiteiten. Dit zijn de criteria waaraan de vergunningaanvraag getoetst moet worden om te bepalen of een vergunning verleend kan worden.
Artikel 8.9 Besluit kwaliteit leefomgeving
- Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een milieubelastende activiteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
- milieuverontreiniging door de activiteit wordt geïntegreerd voorkomen of, wanneer dit niet mogelijk is, beperkt;
- emissies in de lucht, het water en de bodem en het ontstaan van afval door de activiteit worden voorkomen of, wanneer dat niet mogelijk is, beperkt om een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken;
- alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
- de voor de activiteit in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast; (…)
Afvalpreventie en grondstoffengebruik zijn onderdeel van deze beoordelingsregels. Bevoegd gezag moet in ieder geval beoordelen of voldoende maatregelen zijn genomen om afvalstoffen te voorkomen of beperken (artikel 8.9 lid 1 onder b Bkl). Voor de transitie naar een circulaire economie is het van belang dat niet alleen wordt gekeken naar afvalstoffen, maar dat geïntegreerd wordt gekeken naar het voorkomen van milieuverontreiniging. Zodat de preventieve maatregelen voor het verminderen van de milieu-impact door grondstoffengebruik en productie van afvalstoffen in samenhang worden bekeken.
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning staat het voorkomen van milieuverontreiniging centraal (artikel 8.9 lid 1 onder a en c Bkl). De definitie van milieuverontreiniging in het Bkl komt uit de Richtlijn industriële emissies en is ruim geformuleerd.
Definitie van milieuverontreiniging in de Rie
Milieuverontreiniging: “directe of indirecte inbreng door menselijke activiteiten van stoffen, trillingen, warmte of geluid in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de kwaliteit van het milieu kan aantasten, schade kan toebrengen aan materiële goederen, of de belevingswaarde van het milieu of ander rechtmatig milieugebruik kan aantasten of in de weg kan staan.”
Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, grondstoffengebruik en afvalproductie is direct en indirect verantwoordelijk voor de aantasting van het milieu en moet dus ook zoveel mogelijk worden voorkomen of beperkt. Bij het beoordelen van de vergunning moet de vergunningverlener daarom toetsen of het bedrijf bijvoorbeeld voldoende maatregelen neemt om het ontstaan van afvalstoffen te voorkomen en welke grondstoffen gebruikt worden. Bedrijven dienen aannemelijk te maken dat zij voldoende maatregelen nemen om milieuverontreiniging te voorkomen. In de Handreiking grondstoffenebruik en afvalpreventie in de omgevingsvergunning (pdf, 348 kB) is dit verder toegelicht.
3.2.4 Beoordelen beste beschikbare technieken
Bevoegd gezag moet ook beoordelen of de vergunningaanvraag voldoet aan de beste beschikbare technieken (BBT). Dat volgt uit artikel 8.9 lid 1 onder d Bkl en artikel 8.10 Bkl. Hierin is bepaald dat bij het verlenen van de vergunning rekening gehouden wordt met de door de Europese Commissie vastgestelde BBT-conclusies en informatiedocumenten. In de BBT-conclusies staan voor veel bedrijfstakken ook eisen aan grondstoffengebruik en het voorkomen van afvalstoffen.
Zowel nieuwe als bestaande vergunningen moeten voldoen aan de BBT. Als een nieuwe BBT-conclusie wordt gepubliceerd, hebben bedrijf en bevoegd gezag vier jaar de tijd om te voldoen aan de nieuwe BBT-conclusie (artikel 8.98 en 8.99 van het Bkl).
Als voor een milieubelastende activiteit geen BBT-conclusies zijn bepaald, kan het bevoegd gezag zelf de beste beschikbare technieken bepalen. Dit kan ook als de van toepassing zijnde BBT-conclusie niet alle milieugevolgen van de activiteit behandelt. Op grond van artikel 8.10 lid 2 Bkl moet het bevoegd gezag bij het bepalen van BBT onder andere rekening houden met: de toepassing van technieken die weinig afvalstoffen veroorzaken (a) en met het verbruik en de aard van grondstoffen (i).
In de Handreiking grondstoffengebruik en afvalpreventie in de omgevingsvergunning (pdf, 348 kB) worden enkele voorbeelden van BBT-conclusies voor grondstoffengebruik en afvalpreventie beschreven.
Artikel 8.10 Besluit kwaliteit leefomgeving
- Bij de beoordeling of de milieubelastende activiteit voldoet aan het criterium, bedoeld in artikel 8.9, eerste lid, aanhef en onder d, wordt bij het bepalen van de beste beschikbare technieken rekening gehouden met de BBT-conclusies en informatiedocumenten, bedoeld in bijlage XVIII, onder A.
- Als op een milieubelastende activiteit geen BBT-conclusies van toepassing zijn of als de van toepassing zijnde BBT-conclusies niet alle mogelijke milieugevolgen van de activiteit behandelen, wordt bij het bepalen van de beste beschikbare technieken in ieder geval rekening gehouden met:
- de toepassing van technieken die weinig afvalstoffen veroorzaken;
- de toepassing van stoffen die minder gevaarlijk zijn dan stoffen of mengsels als bedoeld in artikel 3 van de CLP-verordening;
- de ontwikkeling van technieken voor de terugwinning en het opnieuw gebruiken van de uitgestoten en gebruikte stoffen en van afvalstoffen;
- vergelijkbare processen, apparaten of wijzen van bedrijfsvoering die met succes in de praktijk zijn beproefd;
- de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis;
- de aard, de gevolgen en de omvang van de emissies;
- de verwachte datum en het verwachte tijdstip waarop met de activiteit wordt begonnen;
- de tijd die nodig is om een betere techniek te gaan toepassen;
- het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water, en de energie-efficiëntie;
- de noodzaak de nadelige gevolgen van de emissies en de risico’s voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken;
- de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken; en
- de informatiedocumenten, bedoeld in bijlage XVIII, onder A.
3.2.5 Opvragen en beoordelen milieueffectrapportage
De wetgeving voor milieueffectrapportage (mer) geeft ook aanknopingspunten voor grondstoffengebruik en afvalpreventie in de vergunningverlening. De wet schrijft voor wanneer een mer-beoordeling aan de orde is en in welke gevallen er in ieder geval een mer moet worden opgesteld. Als dit van toepassing is, dan kunnen de uitkomsten van een mer of de mer-beoordeling betrokken worden bij de beoordeling van het besluit op de aanvraag om een omgevingsvergunning.
In de Europese Richtlijn voor milieueffectbeoordeling van projecten (mer-richtlijn, Richtlijn 2011/92/EU) is aandacht voor het beschrijven van productieprocessen, het gebruik van (primaire) grondstoffen en voor afvalstoffen. De richtlijn geeft aan dat bij een project het gebruik van natuurlijke hulpbronnen moet worden beschreven waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de duurzame beschikbaarheid van deze bronnen.
De mer-richtlijn is geïmplementeerd in de Omgevingswet (Ow) en het Omgevingsbesluit (Ob). De regels voor de milieueffectrapportage en mer-beoordelingsprocedure staan in afdeling 16.4 van de Ow. De wetgeving over de mer geldt niet voor alle bedrijven. Uit bijlage V van het Ob kan worden afgeleid of voor de milieubelastende activiteit een milieueffectrapportage of een mer-beoordeling van toepassing is.
In hoofdstuk 11 van het Ob staan de eisen aan de milieueffectrapportage zelf en de eisen aan de mededeling voor de mer-beoordelingsprocedure beschreven. Bij de mer-beoordeling is in artikel 11.10 Ob vastgelegd dat onder andere informatie verstrekt moet worden over de verwachte residuen en afvalstoffen en over het gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Bij een project-mer kan het bevoegd gezag vragen alternatieven te onderzoeken over het grondstoffengebruik en het voorkomen van afval in afwijking van het beoogde initiatief. In de Handreiking grondstoffengebruik en afvalpreventie in de omgevingsvergunning (pdf, 348 kB) wordt hier verder op ingegaan.
3.2.6 Voorschriften verbinden aan de vergunning
Bevoegd gezag heeft de mogelijkheid om voorschriften te stellen in de omgevingsvergunning. In voorschriften regelt het bevoegd gezag onder welke voorwaarden de vergunninghouder de vergunde activiteit mag uitvoeren. Hierin staan bijvoorbeeld technieken die gebruikt moeten worden of maatregelen die genomen moeten worden.
Dat kan op grond van diverse artikelen:
- In artikel 5.34 Ow staat dat voorschriften kunnen worden verbonden die samenhangen met de rijksbeoordelingsregels. In dit geval zijn dat de beoordelingsregels uit artikel 8.9 van het Bkl. Zoals beschreven in paragraaf 3.2.3 Beoordelingsregels voor vergunningaanvraag zijn afvalpreventie en grondstofgebruik direct en indirect onderdeel van de beoordelingsregels.
- Artikel 8.29 Bkl geeft daarnaast de bevoegdheid tot het opnemen van voorschriften over het voorkomen van afvalstoffen of doelmatig afvalbeheer. Dit kan een grondslag zijn om een preventieonderzoek of specifieke maatregelen voor te schrijven.
- Artikel 8.32 Bkl geeft de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan het bijhouden en verzamelen van gegevens. Hiermee kan bijvoorbeeld voorgeschreven worden dat het (secundaire) grondstoffengebruik geregistreerd moet worden.
Bij het stellen van voorschriften gelden beperkingen voor het bevoegd gezag. Bijvoorbeeld dat het niet mogelijk is om iets anders te vergunnen dan is aangevraagd door de initiatiefnemer. Ook mogen de voorschriften niet in strijd zijn met productwetgeving.
Duidelijk is in ieder geval dat grondstoffengebruik en afvalpreventie beoordeeld moeten worden bij de aanvraag om een omgevingsvergunning en dat hiervoor voorschriften kunnen worden opgenomen. In de Handreiking grondstoffengebruik en afvalpreventie in de omgevingsvergunning (pdf, 348 kB) staan verdere handvatten hiervoor. Daarnaast staan in de handreiking enkele aandachtspunten voor het toezicht op de naleving van de vergunningvoorschriften.
4. Toetsingskaders CMP
Dit onderwerp bevat geen toetsingskader waar bevoegd gezag rekening mee moet houden op grond van artikel 10.14 Wet milieubeheer. Het beschrijft de geldende wetgeving rondom grondstoffengebruik en afvalpreventie en in de Handreiking grondstoffengebruik en afvalpreventie in de omgevingsvergunning (pdf, 348 kB) worden vergunningverleners en toezichthouders verdere handvatten geboden voor het vergunningverleningsproces en het bijbehorende toezicht.
5. Toekomstplannen
Het beleid en de kennis over circulaire economie is in ontwikkeling. Nieuwe beleidsintenties, wijzigingen van bestaand beleid of wijzigingen in wet- en regelgeving kunnen allemaal leiden tot aanpassingen van het CMP. Het CMP wordt daarom regelmatig geactualiseerd.
Dit onderwerp in het CMP en de bijbehorende handreiking geeft vergunningverleners en toezichthouders aan waar zij grondstoffengebruik en afvalpreventie mee moeten en kunnen nemen in hun werk. Tijdens de uitvoeringsperiode van het CMP volgen we de ervaringen van omgevingsdiensten met grondstoffengebruik en afvalpreventie in de vergunningverlening en toezicht. Mochten er op enig moment best practices beschikbaar zijn voor het meenemen van preventie in de omgevingsvoorschriften, dan worden deze in de handreiking opgenomen.
Daarnaast wordt in de komende jaren de gewijzigde Richtlijn industriële emissies geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Daarin wordt meer aandacht besteed aan afvalpreventie en grondstoffengebruik. Hiermee komt er een verplichting voor bedrijven tot het opstellen van een milieubeheersysteem en een transformatieplan. In het milieubeheersysteem worden onder andere maatregelen opgenomen om het ontstaan van afvalstoffen te voorkomen en het gebruik van hulpbronnen te optimaliseren. Het transformatieplan gaat informatie bevatten over de manier waarop het bedrijf de installatie in de periode van 2030-2050 zal transformeren om bij te dragen aan de totstandkoming van een klimaat neutrale en circulaire economie uiterlijk in 2050. Een auditorganisatie beoordeelt of transformatieplannen in overeenstemming zijn met de vastgestelde eisen. De gevolgen van deze nieuwe verplichtingen voor nationale wetgeving en het vergunningverleningsproces zullen de komende jaren duidelijk worden. Te zijner tijd zal dat ook in het CMP worden opgenomen.
Meer informatie over de ontwikkeling van het CMP en hoe stakeholders daarbij worden betrokken leest u in Wat is het CMP.
6. Hulpmiddelen en meer informatie
Voor het onderwerp grondstoffengebruik en afvalpreventie in vergunningverlening vindt u hier de belangrijkste hulpmiddelen die u daarbij kunt gebruiken.
Handreiking grondstoffengebruik en afvalpreventie
Dit onderwerp beschrijft de geldende wetgeving. In de Handreiking grondstoffengebruik en afvalpreventie in de omgevingsvergunning (pdf, 348 kB) worden vergunningverleners en toezichthouders verdere handvatten geboden voor het vergunningverleningsproces en het bijbehorende toezicht.
IPLO over Omgevingswet
Alle informatie over de Omgevingswet en de bijbehorende besluiten en regelingen is te vinden op de website iplo.nl van Informatiepunt Leefomgeving.
Experimenteerruimte
In vergunningen kan ook ruimte worden geboden voor experimenten. Hierover geeft het onderwerp Proefnemingen en de Handreiking proefnemingen voor circulaire economie (pdf, 1 MB) van het ministerie van IenW meer informatie. De handreiking gaat over mogelijkheden, procesbeschrijvingen en tips voor proefnemingen binnen de bestaande wettelijke ruimte vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Afvalpreventieprogramma Nederland
In het Afvalpreventieprogramma Nederland (APP) staat een overzicht van alle maatregelen die Nederland neemt voor het voorkomen en beperken van afval. Het APP bevat een opsomming van lopende initiatieven, maar vindt geen doorwerking in de besluitvorming van medeoverheden en is ook niet op een andere wijze bindend.
REACH
REACH is de Europese verordening (EG) Nr. 1907/2006 over de productie van en handel in chemische stoffen. REACH staat voor: Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van Chemische stoffen.
Beste beschikbare technieken
Het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelingsstadium van de activiteiten en exploitatiemethoden waarbij de praktische bruikbaarheid van speciale technieken om het uitgangspunt voor de emissie grenswaarden en andere vergunningsvoorwaarden te vormen is aangetoond. Met het doel emissies en effecten op het milieu in zijn geheel te voorkomen of, wanneer dat niet mogelijk is, te beperken.
Bijlage A Omgevingswet
Het gaat hier om zowel de toegepaste technieken, als de wijze waarop de installatie wordt ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld.
Secundaire materialen
Stof of materiaal ontstaan uit afvalstoffen waarvoor geldt dat deze zonder verdere verwerking toegepast kan worden als grondstof. Dit kan nog een afvalstof zijn of al einde-afvalstof als aan de voorwaarden hiervan wordt voldaan.
Milieubelastende activiteit
Een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit.
Bijlage A Omgevingswet
Zie Dit is een milieubelastende activiteit op de IPLO-website voor meer informatie bij dit begrip.
Toetsingskader
Het toetsingskader is het onderdeel van het CMP dat het beleid bevat waar ieder bestuursorgaan rekening mee moet houden bij het uitoefenen van een bevoegdheid, voor zover de bevoegdheid wordt uitgeoefend met betrekking tot afvalstoffen.
Rekening houden met
Bevoegd gezag moet rekening houden met het CMP bij het uitoefenen van een taak of bevoegdheid voor zover de taak of bevoegdheid wordt uitgeoefend met betrekking tot afvalstoffen (artikel 10.14 Wet milieubeheer). Dit betekent dat een bevoegd gezag in het algemeen het CMP moet volgen, maar dat zij in bijzondere gevallen, mits zij daar een voldoende motivering voor hebben, mogen afwijken van het CMP. In bijzondere gevallen kunnen andere belangen dan het belang dat wordt gediend met het CMP de doorslag geven. Het bestuursorgaan moet daar dan wel goede redenen voor hebben en dit moet deugdelijk worden gemotiveerd.
REACH
REACH is de Europese verordening (EG) Nr. 1907/2006 over de productie van en handel in chemische stoffen. REACH staat voor: Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van Chemische stoffen.
Beste beschikbare technieken
Het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelingsstadium van de activiteiten en exploitatiemethoden waarbij de praktische bruikbaarheid van speciale technieken om het uitgangspunt voor de emissie grenswaarden en andere vergunningsvoorwaarden te vormen is aangetoond. Met het doel emissies en effecten op het milieu in zijn geheel te voorkomen of, wanneer dat niet mogelijk is, te beperken.
Bijlage A Omgevingswet
Het gaat hier om zowel de toegepaste technieken, als de wijze waarop de installatie wordt ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld.
Secundaire materialen
Stof of materiaal ontstaan uit afvalstoffen waarvoor geldt dat deze zonder verdere verwerking toegepast kan worden als grondstof. Dit kan nog een afvalstof zijn of al einde-afvalstof als aan de voorwaarden hiervan wordt voldaan.
Milieubelastende activiteit
Een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit.
Bijlage A Omgevingswet
Zie Dit is een milieubelastende activiteit op de IPLO-website voor meer informatie bij dit begrip.