Nazorg voor stortplaatsen
Storten doen we alleen met afval dat we niet anders kunnen of willen verwerken. Wanneer toch wordt gestort is het belangrijk dat dit veilig gebeurt. Verontreiniging van de omgeving door het gestorte afval worden zowel op korte als op lange termijn voorkomen. Dit vraagt in beginsel om blijvende controle van een stortplaats ook wanneer het actief storten op die locatie al lang geleden is beëindigd. Hiervoor kennen we in Nederland het systeem van nazorg.
In dit onderwerp wordt toegelicht hoe dit nazorgstelsel op dit moment werkt, welke knelpunten nu worden ervaren en wat er gaat gebeuren om te komen tot een meer toekomstbestendig stelsel.
1. Doelgroep
Op dit moment zijn de provincies verantwoordelijk voor de nazorg van afgewerkte en overgedragen stortplaatsen. De inhoud van dit onderwerp is dus in eerste instantie voor hen van belang.
De exploitanten van stortplaatsen zijn verantwoordelijk voor het aanbrengen van de noodzakelijke voorzieningen, het innen van bijdragen om vermogen op te bouwen voor de nazorg en het monitoren van eventuele emissies zolang de stortplaats nog niet is overgedragen. Ook voor hen is het dus belangrijk kennis te nemen van de visie van het Rijk op het huidige stelsel en de plannen om het stelsel te verbeteren.
2. Belang voor circulaire economie
Het streven is om storten te beperken tot afvalstoffen die we, al dan niet tijdelijk, niet nuttig kunnen of willen toepassen en/of niet kunnen of willen verbranden. Dit als logisch effect van een circulaire economie waar we materialen zo lang mogelijk in de materiaalketen willen houden. Daar waar we toch terugvallen op storten moet dit plaatsvinden op een milieuhygiënisch verantwoorde en veilige wijze en tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.
Een milieuhygiënisch verantwoorde en veilige wijze betekent onder meer dat verontreiniging van de omgeving door het gestorte afval wordt voorkomen. Dit is niet alleen van belang voor de periode dat de stortplaats nog in exploitatie is en er nog actief afval wordt gestort. Ook na die tijd moeten verontreinigingen in het stortlichaam blijven en zich niet verspreiden naar de omgeving. Dit vraagt dus om nazorg van al gesloten stortplaatsen die in beginsel eeuwigdurend is. Alleen dan kan storten zijn functie als veilige terugvaloptie voor materialen die te verontreinigd zijn om terug te brengen in de economische kringloop goed vervullen.
3. Beleid en wetgeving
In onderstaande tekst wordt informatie over het werkprogramma storten, de van kracht zijnde wetgeving en het huidige nazorgstelsel uiteengezet.
3.1 Werkprogramma storten
Op 11 juni 2024 is het werkprogramma storten aangeboden dan de Tweede Kamer. Het werkprogramma schetst de werking van het huidige stortstelsel en de stappen om tot een toekomstbestendig stortstelsel te komen. Om storten beschikbaar en betaalbaar te houden moet de stortcapaciteit zó ingeregeld zijn dat er een balans is tussen de benodigde stortcapaciteit en de beschikbare en ingerichte stortcapaciteit. Hiervoor zijn acties nodig op de volgende deelonderwerpen. Het moratorium op stortcapaciteit moet worden aangepast om te zorgen dat er voldoende stortcapaciteit beschikbaar is en blijft. Hierbij is ook aandacht voor de wenselijkheid van regionale spreiding van stortactiviteiten. Ook moet de rol van storten als vangnet voor de afvalketen via bijvoorbeeld de calamiteitenopslag beter worden bestendigd. Hierbij is ook aandacht voor de praktische toepasbaarheid van de huidige opslagtermijnen en hergebruik van stortruimte op bestaande stortplaatsen via terugneembaar storten en afvalmining. Tevens worden de technische vereisten waar stortplaatsen aan moeten voldoen waar nodig gemoderniseerd zodat deze weer in lijn zijn met de laatste stand der techniek en zo laagste milieu-impact garanderen. Als laatste onderzoeken we of en hoe de rijksoverheid meer grip nodig heeft op de stortmarkt om de bijzondere verantwoordelijkheid die een nutsfunctie met zich meebrengt beter in te kunnen vullen. Met de cumulatieve acties zoals beschreven in het werkprogramma wordt geregeld dat storten voor nu en in de toekomst beschikbaar blijft.
Het werkprogramma bevat de concrete acties voor de komende jaren. Deze acties worden in afstemming met de stortsector opgepakt. Daar waar de uitkomst leidt tot aanpassingen van het CMP nemen we dat mee in toekomstige bijstellingen.
3.2 Wetgeving
Gegarandeerde nazorg is van belang om het milieuhygiënisch verantwoord functioneren van een gesloten stortplaats zeker te stellen. Dit gebeurt door het treffen van maatregelen om de bodembeschermende voorzieningen in stand te houden, te herstellen en te vervangen. Ook is regelmatige inspectie van de voorzieningen en onderzoek van het grondwater bij de stortplaats noodzakelijk. De wettelijke regeling van de nazorg is opgenomen in hoofdstuk 8 en 15 van de Wm. De nazorgregeling is van toepassing op alle stortplaatsen waar op of na 1 september 1996 afvalstoffen zijn gestort.
De provincies zijn op grond van de wet bestuurlijk, organisatorisch en financieel verantwoordelijk voor de nazorg. De kaders hiervoor zijn vastgelegd in de Nazorgregeling voor gesloten stortplaatsen.
3.3 Het huidige nazorgstelsel
Als een stortplaats vol is, of wanneer de onderafdichting dertig jaar oud is, moet deze worden afgedekt. Om te zorgen dat de stortplaats ook na de gebruiksfase geen milieurisico’s vormt, wordt deze voor altijd in de gaten gehouden. Dit is de eeuwigdurende nazorg. Om deze nazorg goed vorm te kunnen geven wordt bij het aanleggen van een stortplaats al nagedacht over de fase wanneer alle stortactiviteiten zijn stopgezet. Dan wordt door de exploitant een nazorgplan opgesteld en ingediend bij het bevoegd gezag. In dit nazorgplan komen verschillende zaken aan bod, bijvoorbeeld welke (milieu) risico’s afgedekt worden en welke gelden daarvoor opzij gezet moeten worden. De eindfase van het storten en de nazorg kennen drie verschillende aspecten, die tot op zekere hoogte met elkaar vervlochten zijn. Dat zijn een fysiek aspect, een bestuurlijk/juridisch aspect en een financieel aspect.
Het fysieke aspect draait om het dichtmaken van een stortplaats. Dit gebeurt in de zogenaamde pre-nazorgfase waarbij de bedrijfseconomische activiteiten (lees: het storten) gestopt zijn. Om de stortplaats te voltooien wordt gestart met het aanleggen van de bovenafdichting. Een uitzondering hierop zijn de stortplaatsen die onderdeel uitmaken van het experiment Duurzaam Stortbeheer (zie paragraaf 3.4 Duurzaam stortbeheer in Storten in een circulaire economie).
Als de bovenafdichting aangebracht is, kan gestart worden met de overdracht van de stortplaats van de exploitant aan het bevoegd gezag voor de eeuwigdurende nazorg. Dat brengt ons tot het bestuurlijk/juridische aspect. Dit aspect van de eindfase gebeurt in twee delen. Allereerst zal het bevoegde gezag een eindinspectie uitvoeren waarbij wordt gecontroleerd of is voldaan aan alle voorschriften die verbonden zijn aan de omgevingsvergunning. Vervolgens wordt de verantwoordelijkheid voor en uitvoering van de nazorg - al dan niet samen met het eigendom van de stortplaats - overgedragen aan het bevoegd gezag, inclusief alle rechten en plichten die daarbij horen. Na deze overdracht is de provincie volgens de Nazorgregeling voor gesloten stortplaatsen bestuurlijk/juridisch, organisatorisch en financieel verantwoordelijk voor de eeuwigdurende nazorg van de gesloten stortplaats.
Voor de eeuwigdurende nazorg zijn financiële middelen nodig. Zo moet bijvoorbeeld de bovenafdichting ongeveer elke 50 tot 75 jaar worden vervangen en moeten onverwachte milieurisico’s opgevangen worden. Het totale bedrag dat aan het eind van de stortactiviteiten nodig is voor de nazorg heet het doelvermogen. De nazorggelden worden afgedragen door de stortplaatsexploitanten aan de provincie. De gelden die worden afgedragen, worden gestort in een nazorgfonds dat beheerd wordt door de provincie.
4. Toetsingskaders CMP
Dit onderwerp bevat geen eigen toetsingskaders.
5. Toekomstplannen
Het beleid en de kennis over circulaire economie is in ontwikkeling. Nieuwe beleidsintenties, wijzigingen van bestaand beleid of wijzigingen in wet- en regelgeving kunnen allemaal leiden tot aanpassingen van het CMP. Het CMP wordt daarom regelmatig geactualiseerd.
In de praktijk bestaan verschillende obstakels die de soepele werking van het nazorgstelsel belemmeren en die daarmee de betaalbaarheid van storten beïnvloeden. Deze obstakels komen voort uit weeffouten in de huidige systematiek voor de nazorg. De problematiek betreft o.a. de kosten van de nazorg en de verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden hierbij. De kosten voor de eeuwigdurende nazorg nemen namelijk flink toe. Verschillende factoren zijn hier verantwoordelijk voor: marktschommelingen die effect hebben op de beleggingsrendementen, inflatie en andere kostenstijgingen en veranderende risico’s (bijvoorbeeld door klimaatverandering).
Op basis hiervan wordt bekeken of en hoe het stelsel moet worden gewijzigd. Dit gaat om de brede problematiek, dus zowel financieel, bestuurlijk als organisatorisch. Het is noodzakelijk om dit nu te bekijken om te zorgen dat ook straks in een circulaire economie, waarin stortplaatsen waarschijnlijk lang(er) open zullen zijn, het bijbehorende nazorgstelsel past bij de praktijk. Om de consequenties van aanpassingen te kunnen overzien moeten verschillende scenario’s onderzocht worden. Daarin wordt de verdeling van risico’s en bevoegdheden meegenomen.
Met de pilot Duurzaam Stortbeheer (zie paragraaf 3.4 Duurzaam stortbeheer in 'Storten in een circulaire economie') wordt al gekeken of de nazorg op stortplaatsen fysiek anders kan worden dan deze nu is. De uitkomsten leveren mogelijk ook een besparing op in de nazorgkosten indien het regime voor de bovenafdichting minder "zwaar" kan worden uitgevoerd dan nu verplicht is. Het is belangrijk om de mogelijke effecten hiervan mee te nemen in het uit te voeren onderzoek.
Het laatste element in de nazorg is de regelgeving voor stortplaatsen die gesloten zijn vóór de Nazorgregeling Wet Milieubeheer in werking trad in 1996. Dit zijn de zogenaamde NAVOS-stortplaatsen. NAVOS verwijst naar het uitgebrachte Advies Nazorg Voormalige Stortplaatsen door de NAVOS-stuurgroep met vertegenwoordiging vanuit IenW, IPO, VNG, DGM en Rijkswaterstaat. Zie voor meer informatie Advies Nazorg Voormalige Stortplaatsen (NAVOS) op de website van IPLO. Deze stortplaatsen worden goed gemonitord volgens het NAVOS-advies, maar veranderende omstandigheden (o.a. klimaatverandering) vragen om meer inzicht in de veranderende risico’s voor deze NAVOS-stortplaatsen. In de komende jaren worden deze veranderende risico’s onderzocht en besloten of dit tot een beleidsaanpassing leidt.
Het Werkprogramma storten gaat in meer detail in op de obstakels in het huidige stelsel en het verbeteren en moderniseren ervan. In het kader van het werkprogramma loopt een traject om te komen tot een verbeterd en meer toekomstbestendig stelsel. Op termijn wordt het CMP hier zonodig op aangepast.
Meer informatie over de ontwikkeling van het CMP en hoe stakeholders daarbij worden betrokken leest u in Wat is het CMP.