Vergunningen en ontheffingen voor storten
In dit onderwerp van het CMP wordt een aantal aspecten rond het vergunnen van storten besproken. Een belangrijk deel gaat over capaciteitsplanning ofwel het moratorium op vergunnen van stortcapaciteit. In het verlengde hiervan komt ook de zogenaamde voorraadcapaciteit aan bod alsook het voorwaardelijke vergunnen van stortcapaciteit.
Belangrijke begrippen
Voor de duidelijkheid is in onderstaand figuur aangegeven welke vormen van 'capaciteit' in dit onderwerp worden onderscheiden. Het betreft alleen het gebruik van het begrip ‘capaciteit’ in het kader van storten. Een tekstuele toelichting op de verschillende vormen van capaciteit die in het figuur genoemd staan, staat in het kader onder Figuur 1.
Uitgeschreven tekst figuur 1
Dit schema toont de opbouw van capaciteit voor het storten van afvalstoffen. Binnen de vergunde capaciteit wordt onderscheid gemaakt tussen benutte capaciteit en restcapaciteit. Restcapaciteit bestaat uit ingerichte capaciteit en niet-ingerichte capaciteit. Daarnaast is er voorraadcapaciteit, die bestaat uit capaciteit die nog in procedure is. Samen vormen restcapaciteit en voorraadcapaciteit de moratoriumcapaciteit. Buiten de vergunde capaciteit ligt de overige capaciteit: planologische ruimte zonder vergunning voor storten. Hierbinnen valt ook de voorwaardelijk vergunde capaciteit. Het geheel vormt de technisch en planologisch maximale capaciteit.
Diverse vormen van capaciteit die worden onderscheiden
- Moratorium capaciteit: Stortcapaciteit die voorkomt in de tabel in paragraaf 4.1 Toetsingskader capaciteitsregulering, waarbij het uitgangspunt is dat geen stortcapaciteit wordt vergund die niet voorkomt in de tabel.
- Capaciteit in procedure: capaciteit waarvoor de vergunningprocedures nog lopen en die dus nog niet juridisch onherroepelijk op de betreffende locatie kan worden benut.
- Ingerichte capaciteit: dat deel van de vergunde capaciteit die direct geschikt is voor gebruik en wat onderdeel is van de vergunde capaciteit.
- Restcapaciteit: capaciteit die een locatie op enig moment nog ter beschikking heeft en die bestaat uit het verschil tussen de vergunde capaciteit en de capaciteit die tot het peilmoment al daadwerkelijk is benut.
- Technisch/planologische maximale capaciteit: capaciteit die in theorie beschikbaar is wanneer alle bestaande stortplaatsen over hun hele terreinoppervlak tot de technisch en planologisch maximale hoogte zouden worden benut.
- Uitgeruilde capaciteit: capaciteit die via de uitruilprocedure van paragraaf 4.1 'Toetsingskader capaciteitsregulering' is overgedragen van de ene exploitant naar de andere exploitant.
- Vergunde capaciteit: capaciteit waarvoor alle vergunningprocedures zijn afgerond en die de exploitant in totaal kan benutten op de betreffende locatie. Dit kan bestaan uit capaciteit die direct beschikbaar is (ingerichte capaciteit) en capaciteit die wel vergund is, maar waarvoor nog voorzieningen moeten worden aangebracht alvorens deze daadwerkelijk de kunnen benutten.
- Voorraadcapaciteit: capaciteit die binnen het moratorium op stortcapaciteit van de tabel in paragraaf 4.1 'Toetsingskader capaciteitsregulering' wel voor vergunningverlening aan een exploitant in aanmerking komt, maar op dit moment nog niet daadwerkelijk is vergund bij één van de in exploitatie zijnde stortplaatsen. Deze capaciteit bestaat op papier en kan worden vergund maar is op het moment alleen toegewezen aan een exploitant en aan geen van de in exploitatie zijnde stortplaatsen gekoppeld.
- Voorwaardelijk vergunde capaciteit: capaciteit waar een exploitant volgens de tabel in paragraaf 4.1 'Toetsingskader capaciteitsregulering' niet over beschikt, maar die wel op (één van) zijn locatie(s) wordt vergund. Daarbij geldt de voorwaarde in de vergunning dat deze capaciteit alleen daadwerkelijk mag worden benut wanneer de exploitant capaciteit heeft overgenomen van een andere exploitant die die deze volgens de tabel op dit moment wel ter beschikking heeft.
Dit onderwerp gaat alleen over storten. Zie voor het maken van het onderscheid tussen storten enerzijds en op of in de bodem brengen als handeling van nuttige toepassing anderzijds paragraaf 3.3 'Onderscheid tussen storten en nuttige toepassing' van Storten in een circulaire economie.
1. Doelgroep
Voor het op de bodem brengen van afvalstoffen buiten stortplaatsen is de inhoud van dit onderwerp vooral van belang voor gemeenten/omgevingsdiensten. Die moeten in het algemeen bepalen of sprake is van storten of nuttige toepassing en, of de voorgenomen activiteit kan worden toegestaan.
In eerste instantie is het beleid en de toetsingskaders rond het vergunnen van stortcapaciteit relevant voor vergunningverleners van stortplaatsen. In het verlengde daarvan hebben ook de exploitanten van stortplaatsen er belang bij alle verdere informatie in de volgende paragrafen.
2. Belang voor circulaire economie
Het streven is om storten te beperken tot afvalstoffen die we, al dan niet tijdelijk, niet nuttig kunnen of willen toepassen en/of niet kunnen of willen verbranden. Dit als logisch effect van een circulaire economie waar we materialen zo lang mogelijk in de materiaalketen willen houden. Daarnaast moet storten voor materialen die we niet meer op een andere manier kunnen of willen verwerken in voldoende mate beschikbaar zijn. Storten moet kunnen plaatsvinden op een milieuhygiënisch verantwoorde en veilige wijze en tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.
We streven naar een financieel gezonde stortsector die in staat is om alle noodzakelijke voorzieningen voor storten zonder risico’s voor milieu en volksgezondheid te betalen. Nu en in de toekomst. Aan de ene kant moet voorkomen worden dat de stortcapaciteit te groot wordt en daardoor storten te goedkoop. Aan de andere kant moet ook voorkomen worden dat de stortcapaciteit of het aantal locaties of exploitanten te klein wordt en storten daarmee te duur of niet voldoende beschikbaar (te weinig capaciteit). Verder is het wenselijk dat voor alle exploitanten sprake is van een gelijkwaardig speelveld. Tot slot is het noodzakelijk dat de overheid beschikt over voldoende instrumenten om te borgen dat materiaal niet onnodig wordt gestort, maar dat storten wel voldoende makkelijk en tegen aanvaardbare kosten beschikbaar is in die gevallen dat storten de enige mogelijke of wenselijke verwerkingswijze is.
3. Beleid en wetgeving
Uit Storten in een circulaire economie volgt dat dat storten onderdeel is van een circulaire economie, maar dat dit wel zoveel mogelijk beperkt moet worden en storten plaatsvindt met minimale belasting van milieu en volksgezondheid. Dit vraagt ook om een gezonde sector en goede instrumenten. Diverse wetten en besluiten bevatten regels over het wel of niet mogen storten van afvalstoffen of onder welke voorwaarden storten verantwoord is. Als de wetgeving aangeeft dat voor storten een vergunning en/of ontheffing nodig is, dan biedt het CMP daarvoor het toetsingskader. Alle volgende paragrafen bieden voor een aantal situaties dit kader.
Als eerste komen de regels voor het op of in de bodem brengen van afvalstoffen buiten stortplaatsen.
Daarna ligt de focus op het storten op stortplaatsen. Aan bod komt storten als nutsfunctie en de bijbehorende rol van het Rijk. Daarna beschrijven we de vergunningplicht voor storten op stortplaatsen. Bij het verlenen van vergunningen aan stortplaatsen is het reguleren van de capaciteit een belangrijk punt en dat komt daarom als derde aan de orde. We ronden af met een aantal specifieke aspecten zoals voorraadcapaciteit en het voorwaardelijk vergunnen van stortcapaciteit.
3.1 Werkprogramma storten
Op 11 juni 2024 is het werkprogramma storten aangeboden dan de Tweede Kamer. Het werkprogramma schetst de werking van het huidige stortstelsel en de stappen om tot een toekomstbestendig stortstelsel te komen. Om storten beschikbaar en betaalbaar te houden moet de stortcapaciteit zó ingeregeld zijn dat er een balans is tussen de benodigde stortcapaciteit en de beschikbare en ingerichte stortcapaciteit. Hiervoor zijn acties nodig op de volgende deelonderwerpen. Het moratorium op stortcapaciteit moet worden aangepast om te zorgen dat er voldoende stortcapaciteit beschikbaar is en blijft. Hierbij is ook aandacht voor de wenselijkheid van regionale spreiding van stortactiviteiten. Ook moet de rol van storten als vangnet voor de afvalketen via bijvoorbeeld de calamiteitenopslag beter worden bestendigd. Hierbij is ook aandacht voor de praktische toepasbaarheid van de huidige opslagtermijnen en hergebruik van stortruimte op bestaande stortplaatsen via terugneembaar storten en afvalmining. Ook worden de technische vereisten waar stortplaatsen aan moeten voldoen waar nodig gemoderniseerd zodat deze weer in lijn zijn met de laatste stand der techniek en zo laagste milieu-impact garanderen. Als laatste onderzoeken we of en hoe de rijksoverheid meer grip nodig heeft op de stortmarkt om de bijzondere verantwoordelijkheid die een nutsfunctie met zich meebrengt beter in te kunnen vullen. Met de cumulatieve acties zoals beschreven in het werkprogramma wordt geregeld dat storten voor nu en in de toekomst beschikbaar blijft.
Het werkprogramma bevat de concrete acties voor de komende jaren. Deze acties worden in afstemming met de stortsector opgepakt. Daar waar de uitkomst leidt tot aanpassingen van het CMP nemen we dat mee in toekomstige bijstellingen.
3.2 Storten of op/in de bodem brengen buiten stortplaatsen
Gemeenten en provincies kunnen besluiten nemen over het storten of het op of in de bodem brengen van afval buiten stortplaatsen. Iemand kan bijvoorbeeld afval willen gebruiken om een gat in de grond op te vullen, een sloot te dempen of een wal te maken. In deze paragraaf staat uitgelegd om welke wetgeving het gaat en waar decentrale regels aan moeten voldoen als een overheid hierover regels zou willen stellen.
Storten is in artikel 1.1 lid 1 van de Wet milieubeheer (Wm) gedefinieerd als ‘op of in de bodem brengen van afvalstoffen om deze daar te laten’. Het storten van afval buiten stortplaatsen is ongewenst en daarom verboden. Er kan echter ook sprake zijn van nuttig toepassen van afval op of in de bodem. Dat kan onder voorwaarden wel toegestaan zijn. Degene die iets op of in de bodem wil brengen moet altijd als eerste de vraag beantwoorden of sprake is van storten of van nuttige toepassing. Het bevoegd gezag moet dit toetsen bij het nemen van een besluit voor vergunning of ontheffing. Zie voor het maken van het onderscheid tussen storten enerzijds en op of in de bodem brengen als handeling van nuttige toepassing anderzijds paragraaf 3.3 'Onderscheid tussen storten en nuttige toepassing' van Storten in een circulaire economie.
Met de Omgevingswet is het storten of op/in de bodem brengen van bedrijfsafval, gevaarlijk afval en huishoudelijk afval verdeeld over het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Wet milieubeheer (Wm).
- Het storten van bedrijfsafval en gevaarlijke afval op een stortplaats is in artikel 3.84 en 3.85 Bal aangewezen als een vergunningplichtige milieubelastende activiteit. Zie hiervoor alle volgende paragrafen.
- Het op of in de bodem brengen van bedrijfsafval of gevaarlijke afval is als vergunningplichtige milieubelastende activiteit aangewezen in artikelen 3.40b en 3.40c van het Bal. Dit betekent dat het storten of op/in de bodem brengen verboden is, tenzij het bedrijf daar een vergunning voor heeft en aan alle verplichtingen voldoet. In het Bal zijn op een aantal andere plaatsen ook regels opgenomen voor het op of in de bodem brengen van specifieke afvalstoffen. Bijvoorbeeld (niet-limitatief) voor het toepassen van grond (paragraaf 3.2.26 Bal, waaronder opvullen van diepe plas), bouwstoffen (paragraaf 3.2.25 Bal) en meststoffen (paragraaf 3.2.20 Bal, waaronder ook zuiveringsslib). Zie voor alle gevallen artikel 3.40b Bal.
- Artikel 10.2 Wm verbiedt het storten of op of in de bodem brengen van huishoudelijk afvalstoffen. Het gaat hier om nog niet ingezameld of afgegeven huishoudelijk afval. Dat is het geval als iemand zijn eigen huishoudelijke afval of op het eigen terrein of ergens anders op of in de bodem wil achterlaten. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing van dit verbod verlenen op grond van artikel 10.63 tweede lid Wm. Vanuit milieuhygiënisch perspectief en in het licht van de transitie naar een circulaire economie is dit echter ongewenst.
Gemeenten en provincies moeten bij het afgeven van deze vergunningen en ontheffingen rekening houden met het toetsingskader in de keten- en afvalplannen voor de betreffende afvalstoffen in het CMP. Voor het opstellen van regels hierover in de omgevingsverordening, omgevingsplan of afvalstoffenverordening moeten zij ook rekening houden met het CMP en staat het toetsingskader in Decentrale regels. Er mogen geen regels worden gesteld voor afvalstoffen waarvoor en voor zover al uitputtende rijksregels bestaan, zoals voor het toepassen van grond, bagger en bouwstoffen.
3.3 Storten als nutsfunctie
Afval moet altijd op een milieuhygiënisch verantwoorde en veilige manier tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten kunnen worden verwijderd wanneer daar (nog) geen andere optie voor is. Dat geldt zowel voor het (rest)afval dat (nog) niet nuttig kan worden toegepast of kan worden verbrand, als voor het afval dat normaliter wel nuttig wordt toegepast of wordt verbrand, maar waarvan die verwerking (al dan niet tijdelijk) stagneert. In het laatste geval wordt gesproken van storten als achtervang. Daarnaast is het van belang dat de continuïteit voor het milieuhygiënisch verantwoorde beheer van afvalstoffen is gewaarborgd. Dat betekent dat ook in de toekomst voldoende capaciteit beschikbaar is. Storten wordt daarom als nutsfunctie aangemerkt en stortplaatsen zijn om die redenen aan te merken als maatschappelijk onmisbare voorzieningen waarvan het voortbestaan absoluut moet zijn gewaarborgd.
Het Rijk heeft een bijzondere verantwoordelijkheid als de instandhouding van bestaande, noodzakelijke stortcapaciteit in gevaar komt of als de realisatie van nieuwe noodzakelijke stortcapaciteit niet plaatsvindt. Dit betekent niet dat het Rijk zelf stortcapaciteit moet exploiteren, maar wel de juiste maatregelen treft of condities schept voor het instandhouden of realiseren van de noodzakelijke capaciteit. De maatregelen gelden voor de totale stortcapaciteit, dus op macro-niveau. Ze kunnen incidenteel ook gelden voor individuele bedrijven, bijvoorbeeld als stortplaatsen door toedoen van beleidsveranderingen in de problemen komen. Ook ziet het Rijk het als zijn taak om met de sector afspraken te maken over het invullen van hun achtervangfunctie. Hierbij hoort ook het beschikbaar hebben van voldoende opslagruimte voor het geval dat afval door een calamiteit tijdelijk niet verbrand of gerecycled kan worden. Zie hiervoor verder Vergunnen opslag van afval op stortplaatsen.
Dat storten een nutsfunctie heeft betekent ook dat naast beschikbaarheid van voldoende capaciteit zeker moet zijn dat storten betaalbaar is en blijft. Hiervoor zijn acties nodig op drie deelonderwerpen: het sturen op poorttarieven, het nazorgstelsel en de afvalstoffenbelasting. Deze drie onderwerpen worden alle drie opgepakt binnen het Werkprogramma storten. Voor de kosten van nazorg wordt daarnaast verwezen naar het onderwerp Nazorg voor stortplaatsen in het CMP.
3.4 Vergunningplicht voor storten op stortplaatsen
Hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat de aanwijzing van milieubelastende activiteiten en wat vergunningplichtig is. In paragraaf 3.3.12 van het Bal wordt als milieubelastende activiteit (artikel 3.84) en als vergunningplichtig (artikel 3.85) aangewezen;
- het exploiteren van een IPPC-installatie voor het storten van afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.4 van bijlage I bij de Richtlijn industriële emissies (RIE);
- het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het storten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen op een stortplaats (het gaat hier om storten op een locatie die niet is aangewezen in categorie 5.4 Bal, bijvoorbeeld omdat er minder dan 10 ton per dag wordt gestort)
Uit de twee genoemde artikelen uit het Bal samen volgt dat voor het exploiteren van een stortplaats altijd een vergunning is vereist.
3.5 Capaciteitsplanning op nationaal niveau
Belangrijk is de capaciteit die nodig is om de nutstaak te kunnen uitvoeren. Capaciteitsplanning is voor het storten van afvalstoffen noodzakelijk.
Enerzijds is er voldoende stortcapaciteit noodzakelijk. Nederland wil, met uitzondering van enkele specifieke afvalstoffen waarvoor in Nederland geen stortfaciliteiten beschikbaar zijn, voor storten zelfvoorzienend zijn (nationale zelfverzorging). Dit houdt in dat afval dat in Nederland ontstaat en niet nuttig kan worden toegepast of verbrand, in beginsel in Nederland moet worden gestort. Dit betekent dat Nederland voldoende capaciteit moet hebben om in de eigen stortbehoefte te voorzien. Hierbij wordt er ook rekening mee gehouden dat realiseren van nieuwe stortcapaciteit enige tijd vergt (zie kader). Daarnaast moeten er voldoende exploitanten actief blijven om voldoende marktwerking te verzekeren.
Criteria om te bepalen of sprake is van voldoende stortcapaciteit
Voor het bepalen van de minimaal noodzakelijke stortcapaciteit op landelijk niveau geldt het volgende:
- Als harde richtlijn wordt gehanteerd dat op ieder moment gedurende de planperiode van het CMP (2026-2031) er minimaal voor 6 jaar vooruit noodzakelijke stortcapaciteit is vergund. Dit is het zogenaamde 6-jaars criterium. Dit wordt jaarlijks getoetst door het Rijk.
- Het realiseren van nieuwe stortcapaciteit is een tijdrovende zaak, gelet op alle procedures in het kader van de ruimtelijke ordening en vergunningen en gelet op het benodigde werk om een nieuw terrein te voorzien van alle noodzakelijke voorzieningen. Om die reden wordt naast de eis van 6 jaar ook bezien of bij de start van de planperiode ook in de volgende planperiode van 6 jaar voldoende stortcapaciteit aanwezig is. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de capaciteit die op dit moment in procedure is en met de voorraadcapaciteit. Dit is het zogenaamde 12-jaars criterium. Toetsmoment is het moment dat het CMP in werking treedt.
Anderzijds is een te grote capaciteit ook niet gewenst. Hiervoor zijn meerdere redenen aan te voeren, waaronder in ieder geval:
- Een onnodig groot beslag op toekomstige ruimte.
- Een mogelijk ongewenste aantrekkende werking op materiaal dat eigenlijk ook anders had kunnen verwerkt. Dat zou leiden tot een extra grote handhavingsinspanning om storten te beperken tot afvalstoffen waarvoor andere verwerking dan storten echt geen optie is.
- Onvoorspelbare storttarieven waarmee de rentabiliteit van de sector in gevaar kan komen, met bijbehorende financiële risico’s voor stortplaatsexploitanten en provincies.
- Een verkeerd signaal voor de transitie naar een circulaire economie.
De noodzakelijke capaciteitsplanning op nationaal niveau houdt in dat aan stortplaatsen uitsluitend capaciteit wordt vergund die voorkomt in de tabel van paragraaf 4.1 Toetsingskader capaciteitsregulering. Voor de verdere uitwerking van dit zogenaamde ‘moratorium op stortcapaciteit’ wordt verder naar die paragraaf verwezen. Voor afvalverwerking kent de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen het uitgangpunt dat het verwerken van afval in de nabijheid van het ontstaan kan plaatsvinden. Relevant is wel dat Nederland bij invulling van dit nabijheidsbeginsel als één regio wordt beschouwd. Voor afvalbeheer gelden daarom binnen Nederland geen geografische grenzen. Afval mag vrij door heel Nederland worden getransporteerd zonder dat daarbij beperkingen bestaan bij het overschrijden van gemeente-, provincie- of regiogrenzen. Voor de capaciteitsplanning voor storten geldt daarom nadrukkelijk dat dit op rijksniveau wordt gereguleerd (zie ook kader). Het is dus niet aan regionale of lokale overheden om te bepalen dat storten niet past binnen een circulaire economie en op basis daarvan te besluiten dat ze geen lokale capaciteit meer gaan vergunnen.
Bij het in werking treden van het CMP blijkt uit toetsing dat nog wel wordt voldaan aan het 12-jaarscriterium (zie onderstaand kader), maar het moment dat dat niet meer het geval is, nadert wel. Concluderend verwachten we de eerste tijd een trend die tussen het neutrale en het conservatieve scenario zou kunnen liggen. Op de wat langere termijn verwachten we juist tussen het neutrale en het ambitieuze scenario uit te komen. Op dit moment zijn daarom zowel het 6- als het 12-jaarscriterium nog niet in het geding.
Beoordeling beschikbare stortcapaciteit
De stortplaatsen hadden op 1 januari 2024 gezamenlijk een direct beschikbare restcapaciteit van 22.788.139 m3 (waarde in tabel 1 in paragraaf 4.1 Toetsingskader capaciteitsregulering). Inclusief op voorraad liggende capaciteit is in totaal 31.500.676 m3 beschikbaar. Met een gemiddeld soortelijk gewicht van gestort afval van 1,35 ton per gestorte kubieke meter komt dit overeen met een capaciteit van 42,5 Mton.
Voor toetsing aan het 6- en 12-jaarscriterium gebruiken we voor de ontwikkeling van te storten afval de drie scenario’s uit (bron) en nemen als startdatum 1 januari 2026. Voor het toepassen van deze scenario’s wordt uitgegaan van de gemiddeld gestorte hoeveelheid in de periode 2019-2023.
- In het conservatieve scenario neemt de te storten hoeveelheid (inclusief gebruik van afvalstoffen als bouwstoffen op de stortplaats) jaarlijks met 1,73% toe ten opzichte van het voorgaande jaar. In dat geval hebben we vanaf 1 januari 2026 nog voor ongeveer 13 jaar stortcapaciteit.
- In het neutrale scenario neemt de te storten hoeveelheid (inclusief gebruik van afvalstoffen als bouwstoffen op de stortplaats) jaarlijks met 1,08% af ten opzichte van het voorgaande jaar. In dit scenario hebben we vanaf 1 januari 2026 nog voor ongeveer 18 jaar stortcapaciteit.
- In het ambitieuze scenario neemt de te storten hoeveelheid (inclusief gebruik van afvalstoffen als bouwstoffen op de stortplaats) jaarlijks met 3,92% af ten opzichte van het voorgaande jaar. In dat geval hebben we vanaf 1 januari 2026 nog voor meer dan 25 jaar stortcapaciteit.
Bij deze scenario’s nog de volgende opmerkingen
- In alle gevallen wordt er vanuit gegaan dat alle voorraadcapaciteit (waarde [tabel 1] in paragraaf 4.1 Toetsingskader capaciteitsregulering) de komende jaren daadwerkelijk beschikbaar komt. Zou dat niet het geval zijn dan zijn we in alle scenario’s eerder door de capaciteit heen dan hiervoor aangegeven.
- Met toenemende aandacht voor het uit de keten halen van zorgstoffen is niet uit te sluiten dat we op korte termijn iets meer recyclingresidu gaan storten om zo de grondstoffen van de toekomst schoon te houden. Of we echter enkele decennia lang ieder jaar weer meer gaan storten dan het jaar ervoor zoals wordt aangenomen in het conservatieve scenario in [RHDHV, 2022] lijkt echter niet zo waarschijnlijk. Een eerste toename door het aanpakken van de ‘lineaire erfenis’ die na enige tijd weer omslaat in een daling ligt meer voor de hand.
Zoals vermeld in het Werkprogramma storten is het voornemen om op termijn het moratorium aan te passen. Nog bezien wordt op welke manier nieuwe capaciteit in de markt gezet gaat worden, hoe vaak dat gaat gebeuren, tegen welke voorwaarden en of dit nog aanpassing van wet- en regelgeving behoeft. Wel kan alvast worden gezegd dat uitbreiding in eerste instantie alleen zal worden toegestaan op stortplaatsen die staan vermeld in voorgaande tabel. Pas wanneer dat niet volstaat komt het heropenen van gesloten stortplaatsen, in beeld als ze voldoen aan de eisen van § 8.5.2.4 van Besluit kwaliteit leefomgeving en de Nazorgregeling Wm. Het realiseren van nieuwe stortlocaties, zowel bovengronds als ondergronds als in oppervlaktewater, is vooralsnog niet aan de orde.
3.6 Voorraadcapaciteit en voorwaardelijk vergunnen
Twee bijzondere aspecten hangen samen met het reguleren van stortcapaciteit.
- De eerste is capaciteit die er op papier is maar niet daadwerkelijk is vergund aan een stortplaats (voorraadcapaciteit).
- De tweede is het vergunnen van capaciteit aan een stortplaats voordat de exploitant deze capaciteit binnen de regels van het moratorium heeft verkregen (voorwaardelijk vergunnen).
In deze paragraaf wordt op deze twee bijzondere aspecten ingegaan. Zie voor de uitleg van ‘voorwaardelijk vergunde capaciteit’ en ‘voorraadcapaciteit’ bij het overzicht met begrippen direct aan het begin van dit onderwerp.
Voorraadcapaciteit
Voor het goed functioneren van de hiervoor beschreven capaciteitsplanning op nationaal niveau is het noodzakelijk dat duidelijk is hoeveel capaciteit er op enig moment is. Een deel van de binnen deze planning beschikbare capaciteit is echter niet vergund aan één van de in exploitatie zijnde stortplaatsen. Dit heet de voorraadcapaciteit. Het bestaan van deze voorraadcapaciteit maakt een effectieve capaciteitsplanning complex omdat niet zeker is of alle voorraadcapaciteit uiteindelijk zal worden vergund. Hierdoor ontstaat een papieren werkelijkheid. Ook kan het daadwerkelijk vergunnen van voorraadcapaciteit en een evenwichtige verdeling van de bestaande capaciteit over de exploitanten het functioneren van de stortmarkt verbeteren.
Na consulatie van de stortbranche hierover in het kader van het werkprogramma storten (zie paragraaf 3.1 Werkprogramma storten) is het streven van het Rijk daarom om de hoeveelheid voorraadcapaciteit te verminderen.
- Voor bestaande voorraadcapaciteit geldt daarom dat deze binnen twee jaar nadat het CMP in werking is getreden moet zijn omgezet in vergunde capaciteit. De capaciteit is dan 'in procedure'. Dat kan zowel bij een stortplaats van de exploitant die de voorraadcapaciteit op dit moment in bezit heeft, als via uitruil. Uitruil betekent dat de exploitant voorraadcapaciteit overdraagt aan een andere exploitant. Voorraadcapaciteit die twee jaar nadat het CMP in werking is getreden nog niet is omgezet in onherroepelijk vergunde capaciteit, komt te vervallen. Bij de eerstvolgende tussentijdse wijziging van het CMP zal deze capaciteit dan worden geschrapt. Hiervan zal alleen worden afgeweken:
- in bijzondere specifieke gevallen (denk aan overmacht of wanneer de vergunningprocedure buiten schuld van de exploitant langer in beslag neemt of de vergunning vanwege door derden ingesteld beroep nog niet onherroepelijk is) of
- wanneer bij een volgende tussentijdse wijziging van het CMP de totale omvang van de voorraadcapaciteit substantieel is afgenomen en partijen aantoonbaar bezig zijn om bestaande voorraadcapaciteit ergens vergund te krijgen.
- Een vergelijkbare termijn geldt voor voorraadcapaciteit die op enig moment in de toekomst ontstaat omdat blijkt dat een stortplaats niet al zijn reeds vergunde capaciteit zelf zal (kunnen) gebruiken. Zodra deze capaciteit uit de vergunning van de stortplaats is geschrapt is deze voor maximaal twee jaar beschikbaar als voorraadcapaciteit. Bij aanmelding van deze capaciteit als voorraadcapaciteit overlegt de exploitant gegevens waaruit blijkt vanaf welk moment het besluit om deze capaciteit uit de oorspronkelijke vergunning te schrappen onherroepelijk is geworden.
Voorwaardelijk vergunnen van capaciteit
Exploitanten kunnen via uitruil voorraadcapaciteit overnemen van andere exploitanten en in procedure brengen. Het vergunnen van de overgenomen capaciteit bij de ontvangende exploitant moet hierbij parallel lopen met het uit de vergunning halen van deze capaciteit van de overdragende partij, of met het aanmelden door de overdragende partij van overdracht van voorraadcapaciteit bij het Ministerie van IenW. Uitgangspunt is namelijk dat sprake is van simultane aanpassing van beschikbare capaciteiten per exploitant alsook de vergunningen van beide betrokken partijen. Bovendien moet duidelijk zijn van welke locatie/exploitant een overgenomen voorraadcapaciteit afkomstig is.
Sinds enkele jaren wordt in toenemende mate stortcapaciteit ‘voorwaardelijk vergund’. Hierbij wordt alvast capaciteit aan een exploitant vergund zonder dat duidelijk is of deze capaciteit binnen het moratorium sowieso beschikbaar is en via uitruil is te verkrijgen. Aan de vergunning wordt dan de voorwaarde verbonden dat de exploitant die capaciteit pas daadwerkelijk mag gaan benutten wanneer hij deze binnen het moratorium heeft kunnen overnemen van een andere exploitant.
Hiermee ontstaat mogelijk een papieren werkelijkheid van oververgunde capaciteit ten opzichte van het moratorium. Ook geeft het een onjuist beeld van de beschikbare stortcapaciteit omdat de vergunde en daadwerkelijke beschikbare capaciteit uiteen lopen. In combinatie met de gerealiseerde capaciteit en de voorraadcapaciteit vraagt dit om een derde boekhouding voor de nationale capaciteit waar alle vormen capaciteit een stukje van de totale puzzel vormen. Daarmee maakt voorwaardelijk vergunnen het systeem van sturing op de stortmarkt en borgen van storten als nutsfunctie kwetsbaar. Verder ontstaan mogelijk ook problemen met handhaving wanneer voorwaardelijk vergunde capaciteit in gebruik wordt genomen zonder dat deze capaciteit binnen de grenzen en regels van het moratorium is verkregen. Tot slot staat het op gespannen voet met het systeem van simultane aanpassing van capaciteiten en vergunningen bij exploitanten. Dat systeem was namelijk juist bedoeld om de hiervoor genoemde risico’s en nadelen te voorkomen.
Voorwaardelijk vergunnen van stortcapaciteit is daarmee niet wenselijk. In het Werkprogramma storten is aangegeven dat het voorwaardelijk vergunnen van stortcapaciteit zal worden ontmoedigd. Daar tegenover is het voorstelbaar dat exploitanten zekerheid willen dat ze extra capaciteit vergund krijgen alvorens in deze capaciteit te investeren. Het voorwaardelijk vergund krijgen van capaciteit kan dan een oplossing zijn. Om die reden wordt voorwaardelijk vergunnen mogelijk voor een korte overgangstermijn (2 jaar) en onder voorwaarde dat het Rijk zicht kan houden op deze voorwaardelijke vergunde capaciteit.
4. Toetsingskaders CMP
Hieronder volgen drie toetsingskaders:
- Toetsingskader capaciteitsregulering (paragraaf 4.1)
- Toetsingskader voorwaardelijk vergunnen (paragraaf 4.2)
- Toetsingskader storten buiten stortplaatsen (paragraaf 4.3)
4.1 Toetsingskader capaciteitsregulering
Onder dit eerste toetsingskader vallen vier onderwerpen: het moratorium op stortcapaciteit, uitzonderingen op het moratorium, uitruil van stortcapaciteit en afvalmining en terugneembaar storten.
Moratorium op stortcapaciteit
- het bevoegd gezag vergunt uitsluitend capaciteit die voorkomt in onderstaande tabel 1.
- stortplaatsen die voorkomen in tabel 1 kunnen capaciteit uitruilen (zie onder de tabel).
- lokale en regionale overheden spannen zich in om het vergunnen van – al dan niet door uitruil verkregen – capaciteiten op de in de tabel genoemde stortplaatsen ruimtelijk mogelijk te maken. De vraag of de betreffende capaciteit wel nodig is speelt alleen op landelijk niveau. Het eventueel niet verlenen van een vergunning vindt alleen plaats wanneer vergunnen vanwege lokale milieu-impact niet mogelijk is. Regionale onder- of overcapaciteit vormt in de Wm geen toetsingscriterium in het kader van de doelmatigheid.
| Provincie | Naam stortplaats | Status | Restcapaciteit in m3 |
Voorraad-capaciteit in m3 (noten) |
|---|---|---|---|---|
|
Groningen |
Stainkoeln 3 |
exploitatie |
770.882 |
|
|
Totaal Groningen |
770.882 |
|||
|
Friesland |
Ecopark de Wierde |
exploitatie |
610.000 |
|
|
Totaal Friesland |
610.000 |
|||
|
Drenthe |
Attero Noord, Wijster |
exploitatie |
2.073.175 |
1.350.000 (1,4) |
|
Totaal Drenthe |
2.073.175 |
|||
|
Overijssel |
Boeldershoek |
exploitatie |
1.430.403 |
1.366.500 (2,4) |
|
Bovenveld |
exploitatie |
179.034 |
||
|
Elhorst-Vloedbelt |
exploitatie |
1.802.000 |
||
|
Totaal Overijssel |
3.411.437 |
|||
|
Gelderland |
ARN B.V. |
exploitatie |
714.046 |
|
|
De Sluiner |
exploitatie |
65.775 |
||
|
Vink |
exploitatie |
855.000 |
||
|
Zweekhorst |
exploitatie |
20.290 |
||
|
Totaal Gelderland |
1.655.111 |
|||
|
Utrecht |
Smink |
exploitatie |
625.000 |
|
|
Totaal Utrecht |
625.000 |
|||
|
Flevoland |
Zeeasterweg |
exploitatie |
1.418.720 |
|
|
Totaal Flevoland |
1.418.720 |
|||
|
Noord-Holland |
Boekelerdijk |
exploitatie |
675.502 |
|
|
Nauernasche Polder |
afwerking |
0 |
||
|
Wieringermeer |
exploitatie |
1.078.360 |
109.126 (2,4) |
|
|
Totaal Noord-Holland |
1.753.360 |
|||
|
Zuid-Holland |
Derde Merwedehaven |
afwerking |
0 |
986.911 (3,4) |
|
Mineralz |
exploitatie |
1.685.000 |
||
|
Totaal Zuid-Holland |
1.685.000 |
|||
|
Zeeland |
Midden- en Noord-Zeeland |
exploitatie |
228.599 |
|
|
Totaal Zeeland |
228.599 | |||
|
Noord-Brabant |
Haps |
afwerking |
456.115 |
|
|
De Kragge |
exploitatie |
876.101 |
||
|
Spinder |
exploitatie |
4.611.663 |
||
|
Totaal Noord-Brabant |
5.943.879 |
|||
|
Limburg |
Landgraaf |
exploitatie |
1.800.245 |
|
|
Montfort |
exploitatie |
812.229 |
||
|
Schinnen |
gesloten |
0 |
4.900.000 (1,4) |
|
|
Totaal Limburg |
2.612.474 |
|||
|
Totaal Nederland |
22.788.139 |
8.712.537 |
||
|
Noten: 1. Bij de oorspronkelijke stortplaats in mindering gebracht is nog in voorraad bij Attero. 2. Bij de oorspronkelijke stortplaats in mindering gebracht en is in voorraad bij Afvalzorg. 3. Bij de oorspronkelijke stortplaats in mindering gebracht en is in voorraad bij Indaver. 4. Deze voorraadcapaciteit vervalt wanneer deze 2 jaar na het inwerkingtreding van het CMP nog niet is omgezet in vergunde capaciteit bij één van de in de tabel genoemde locaties. |
||||
Toelichting bij de restcapaciteit
Tabel 1 is gebaseerd op gegevens die worden aangeleverd door stortplaatsexploitanten in de jaarlijkse enquête van de Werkgroep afvalregistratie (WAR). De tabel is – via de WAR - ter controle voorgelegd aan het bevoegd gezag. Er bestaan onnauwkeurigheden bij het bepalen van de restcapaciteit. Het inmeten van stortplaatsen gebeurt niet elk jaar. De restcapaciteit wordt in deze gevallen bepaald door de gestorte hoeveelheden in mindering te brengen op de laatste meting van de restcapaciteit. Als er nieuwe metingen hebben plaatsgevonden, kan blijken dat door onder meer klink en zetting van het stortlichaam, de werkelijke restcapaciteit afwijkt van de geregistreerde restcapaciteit. De restcapaciteit kan daardoor zijn toegenomen zonder dat sprake is van uitbreiding van vergunde capaciteit. Dit soort kleine verschillen vallen binnen de capaciteitsregulering en kunnen daarom zonder meer worden benut.
Uitzonderingen op het moratorium op stortcapaciteit
- Bovenstaande capaciteitsregulering geldt niet voor baggerspecie. De capaciteit van baggerspeciedepots valt buiten het moratorium. Voor de vergunning hoeft dan ook geen rekening gehouden te worden met de moratoriumcapaciteit. Dat geldt ook voor de baggerspeciedepots die binnen een reguliere stortplaats zijn gelegen.
Het storten van afval, anders van baggerspecie, in baggerspeciedepots wordt niet toegestaan omdat dit namelijk wel valt onder de moratoriumcapaciteit. - De capaciteit van voormalige stortplaatsen die gesaneerd worden, valt niet onder het moratorium. Het betreft hier stortplaatsen waar op of na 1 september 1996 geen afvalstoffen zijn gestort. Voorwaarde is wel dat er geen nieuw (van buiten de voormalige stortplaats afkomstig) afval geaccepteerd en ter plekke (terug) gestort wordt. Het moratorium op stortcapaciteit staat het toestaan van een dergelijke sanering van voormalige stortplaatsen dus niet in de weg.
Wordt bij een sanering van een voormalige stortplaats afval geaccepteerd en gestort dat niet van de te saneren voormalige stortplaats zelf afkomstig is, dan is sprake van nieuwe stortcapaciteit. Dit kan niet worden vergund. Ook niet wanneer door uitruil reeds elders bestaande capaciteit is verkregen. Het is niet mogelijk stortplaatsen in exploitatie te nemen die niet in tabel 1 zijn opgenomen.
Uitruil van stortcapaciteit
Omdat in bepaalde regio’s relatief weinig stortcapaciteit beschikbaar is ten opzichte van andere regio’s, wordt aan marktpartijen de mogelijkheid geboden om door middel van uitruil de spreiding van stortcapaciteit te regelen, zonder dat daarbij de totale landelijke voorraad aan vergunde stortcapaciteit toeneemt. Regionale ondercapaciteit is dus geen reden voor uitbreiding van de landelijke vergunde stortcapaciteit en vormt in de Wm geen toetsingscriterium in het kader van de doelmatigheid. De beoordeling van de totale omvang van de stortcapaciteit vindt plaats op landelijk niveau en werkt door in tabel 1 hierboven.
Bij uitruil geldt het volgende:
- Uitruil van stortcapaciteit is alleen mogelijk als die capaciteit is opgenomen in voorgaande tabel, met inachtneming van de bij die tabel behorende voetnoten.
- De stortplaatsexploitant die stortcapaciteit wil overdragen aan een ander, stelt zijn bevoegd gezag daarvan op de hoogte. Wanneer het geen voorraadcapaciteit maar vergunde capaciteit betreft doet de exploitant dit door het indienen van een verzoek/aanvraag om de vergunde capaciteit van zijn stortplaats(en) te verminderen met de over te dragen hoeveelheid. De stortplaatsexploitant die stortcapaciteit gaat overdragen aan een ander geeft hierbij aan wie die capaciteit overneemt.
- De exploitant die de capaciteit overneemt van een ander doet – parallel aan de procedure tot overdragen van de capaciteit bij de exploitant waar de capaciteit vandaan komt - bij zijn eigen bevoegd(e) gezag(en) een aanvraag om de over te dragen capaciteit toe te voegen aan de vergunde capaciteit van zijn locatie(s). De exploitant geeft aan van wie die capaciteit afkomstig is.
N.B.: Het is dus niet toegestaan om capaciteit die wordt overgenomen van een ander als voorraadcapaciteit aan te merken. - De over te dragen stortcapaciteit hoeft bij de exploitant die de capaciteit overneemt niet per se op één nieuwe locatie in gebruik te worden genomen. De (nieuwe) eigenaar van de capaciteit mag die capaciteit over meerdere stortplaatsen verdelen en delen van die capaciteit in meerdere provincies in procedure brengen. Het spreekt voor zich dat de totale uitbreiding van de capaciteit die voor meerdere stortplaatsen wordt aangevraagd niet groter mag zijn dan de afgestoten capaciteit. Betrokken bevoegde gezagen stemmen dit af.
- De partij die de hiervoor over te dragen capaciteit ontvangt, kan deze capaciteit pas in gebruik nemen als zowel de vergunning van de stortplaats waar de capaciteit vandaan komt (tenzij het capaciteit op voorraad betrof) als de vergunning van de stortplaats(en) waarvan de capaciteit moet worden uitgebreid, daadwerkelijk zijn aangepast. Bevoegde gezag(en) verbind(t)(en) daartoe voorschriften aan de vergunning(en).
- Het overnemen van capaciteit van een ander betekent niet dat die capaciteit ergens anders automatisch wordt vergund. Het bevoegd gezag zal een verzoek/aanvraag tot uitbreiding van de vergunning van een stortplaats namelijk volgens de normale procedures behandelen en rekening houden met alle aspecten die voor die uitbreiding van belang zijn. Het is dus wel degelijk mogelijk dat een bevoegd gezag een verzoek/aanvraag voor uitbreiding van bestaande stortcapaciteit met ergens anders afgestoten capaciteit weigert. Als duidelijk is dat het verzoek/aanvraag de uitruil van stortcapaciteit betreft, mag het bevoegd gezag echter geen beroep doen op het moratorium in het CMP om de uitbreiding van stortcapaciteit te weigeren. Het CMP voorziet namelijk in uitruil en de totale Nederlandse capaciteit neemt door de uitruil niet toe.
- Het bevoegd gezag van de locatie waar de capaciteit vandaan komt bepaalt in de vergunning dat de over te dragen capaciteit pas daadwerkelijk vervalt wanneer deze op een andere stortplaats is vergund en deze vergunning onherroepelijk is geworden.
- Bij een voornemen tot uitruil wordt dit door de betrokken partijen schriftelijk meegedeeld aan de Directeur Duurzame Leefomgeving en Circulaire Economie (DLCE) van IenW. Hierbij wordt ten minste vermeld om hoeveel capaciteit het gaat en welke exploitanten/locaties bij de uitruil betrokken zijn. De mededeling met de gevraagde informatie kan gestuurd worden via formulier melding uitruil stortcapaciteit door bevoegde gezagen of via formulier melding uitruil stortcapaciteit door exploitanten. De Directeur DLCE wordt via deze formulieren door de betrokken partijen …. De Directeur DLCE wordt door de betrokken partijen ook schriftelijk op de hoogte gesteld wanneer de uitruil is geformaliseerd, dat wil zeggen dat de uitgeruilde capaciteit onherroepelijk bij stortplaats(en) waarvan wordt overgedragen op de vergunde capaciteit in mindering is gebracht (tenzij het overdracht van voorraadcapaciteit betreft) en onherroepelijk is toegevoegd aan vergunde capaciteit van de ontvangende stortplaats(en).
Afvalmining en terugneembaar storten in relatie tot het moratorium
Voor reeds benutte capaciteit die weer vrij komt door afvalmining of terugneembaar storten geldt:
- Terugneembaar storten vindt uitsluitend plaats op een locatie genoemd in tabel 1. De hierdoor weer vrij komende capaciteit valt binnen het moratorium en kan opnieuw worden benut.
- Capaciteit die weer vrijkomt door afvalmining van een stortvak op een locatie genoemd in tabel 1, valt binnen het moratorium. Als opnieuw exploiteren als stortvak niet past binnen lopende vergunning, bijvoorbeeld omdat het al een langer gesloten stortvak betreft, kan de vergunning hierop worden aangepast.
- Capaciteit die weer vrij komt door afvalmining van een stortvak op een locatie die niet is genoemd in tabel 1, valt buiten het moratorium. Vergunningen om voormalige stortplaatsen weer opnieuw in gebruik te nemen worden niet verleend.
Zie voor afvalmining en terugneembaar storten ook paragraaf 3.5 Afvalmining en terugneembaar storten in ‘Storten in een circulaire economie’.
4.2 Toetsingskader voorwaardelijk vergunnen
- Vanaf het moment dat het CMP in werking treedt, wordt bij het voorwaardelijk vergunnen van stortcapaciteit in de vergunning opgenomen dat deze automatisch en onherroepelijk vervalt wanneer en voor zover de vergunninghouder binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning deze capaciteit niet binnen de regels van het moratorium heeft verkregen.
- Bevoegde gezagen die stortcapaciteit voorwaardelijk hebben vergund starten direct na inwerkingtreding van het CMP een procedure om deze vergunningen ambtshalve te wijzigen zodat deze voorwaardelijke capaciteit vervalt wanneer deze niet uiterlijk 2 jaar na inwerkingtreding van het CMP is omgezet in daadwerkelijk binnen de regels van het moratorium verkregen en onvoorwaardelijk vergunde capaciteit.
- Het bevoegd gezag meldt aan de Directeur Duurzame Leefomgeving en Circulaire Economie (DLCE) van IenW binnen een maand na het onherroepelijk worden van de betreffende vergunning: de omvang van de voorwaardelijk vergunde capaciteit, de stortplaats die het betreft en de datum waarop de vergunning onherroepelijk is geworden. Hiervoor gebruikt het bevoegd gezag het formulier Melden van voorwaardelijk vergunde stortcapaciteit.
- Bevoegde gezagen melden aan de Directeur Duurzame Leefomgeving en Circulaire Economie (DLCE) van IenW binnen een maand nadat het CMP in werking is getreden de stortcapaciteit die zij al vóór die inwerkintreding voorwaardelijk hebben vergund. Daarbij wordt zowel de omvang van de onvoorwaardelijk vergunde capaciteit als de stortplaats die het betreft vermeld.
4.3 Toetsingskader storten huishoudelijk afval buiten stortplaatsen
Ontheffingen voor het storten van huishoudelijk afval buiten stortplaatsen worden niet verleend. Wil het bevoegd gezag (gedeputeerde staten) toch gebruik maken van de mogelijkheid als bedoeld in artikel 10.63 Wm, dan moet de afwijkingsprocedure van het CMP worden gevolgd (zie Afwijken in het CMP).
5. Toekomstplannen
Het beleid en de kennis over circulaire economie is in ontwikkeling. Nieuwe beleidsintenties, wijzigingen van bestaand beleid of wijzigingen in wet- en regelgeving kunnen allemaal leiden tot aanpassingen van het CMP. Het CMP wordt daarom regelmatig geactualiseerd.
Zoals hiervoor beschreven blijft bij het inwerkingtreden van het CMP het bestaande moratorium op uitbreiding van stortcapaciteit gehandhaafd. Dit betekent dat vooralsnog geen extra stortcapaciteit mag worden gerealiseerd of in procedure mag worden gebracht die niet valt binnen het huidige moratorium. Wel nadert het moment dat niet meer aan het 12-jaarscriterium wordt voldaan (zie paragraaf 3.5 'Capaciteitsplanning op nationaal niveau'). Zoals vermeld in het Werkprogramma storten is het voornemen om op termijn het moratorium aan te passen. Nog bezien wordt op welke manier nieuwe capaciteit in de markt gezet gaat worden, hoe vaak dat gaat gebeuren, tegen welke voorwaarden en of dit nog aanpassing van de wet behoeft.
Met het aanpassen van het moratorium wordt bovendien bezien of de mogelijkheid om capaciteit uit te ruilen tussen stortplaatsen nog wel moet blijven bestaan. Er wordt immers een andere mogelijkheid geïntroduceerd om nieuwe capaciteit te krijgen.
Meer informatie over de ontwikkeling van het CMP en hoe stakeholders daarbij worden betrokken leest u in Wat is het CMP.
Terugneembaar storten
Storten van afvalstoffen waarbij vooraf specifiek rekening gehouden wordt met het kunnen terughalen van in de toekomst mogelijk toepasbare afvalstoffen. Bij terugneembaar storten is de focus om afvalstoffen die in potentie in de toekomst alsnog toepasbaar kunnen worden qua soort zoveel mogelijk samen te bergen en te voorkomen dat op dezelfde plek ook stoorstoffen (asbest, explosieve afvalstoffen, licht radioactief afval of ander gevaarlijk afval) worden gestort. Dit wijkt af van het traditioneel storten, omdat daar vaak bewust verschillende afvalstoffen door elkaar heen worden gestort om de stortruimte optimaal te benutten en de stabiliteit van de stortplaats te waarborgen.
Afvalmining
Het terugwinnen van gestort materiaal uit gesloten stortplaatsen of -vakken met als doel een deel hiervan te recyclen of anderszins opnieuw toe te passen als materiaal/grondstof.
Hoofdstuk 4 Werkprogramma Storten 2024 - 2029
3.5
Analyse van de toekomst van storten, RHDHV - BI3559-MI-RP-220722-0938, 7 oktober 2022.
Terugneembaar storten
Storten van afvalstoffen waarbij vooraf specifiek rekening gehouden wordt met het kunnen terughalen van in de toekomst mogelijk toepasbare afvalstoffen. Bij terugneembaar storten is de focus om afvalstoffen die in potentie in de toekomst alsnog toepasbaar kunnen worden qua soort zoveel mogelijk samen te bergen en te voorkomen dat op dezelfde plek ook stoorstoffen (asbest, explosieve afvalstoffen, licht radioactief afval of ander gevaarlijk afval) worden gestort. Dit wijkt af van het traditioneel storten, omdat daar vaak bewust verschillende afvalstoffen door elkaar heen worden gestort om de stortruimte optimaal te benutten en de stabiliteit van de stortplaats te waarborgen.
Afvalmining
Het terugwinnen van gestort materiaal uit gesloten stortplaatsen of -vakken met als doel een deel hiervan te recyclen of anderszins opnieuw toe te passen als materiaal/grondstof.
Hoofdstuk 4 Werkprogramma Storten 2024 - 2029
3.5
Analyse van de toekomst van storten, RHDHV - BI3559-MI-RP-220722-0938, 7 oktober 2022.