Afvalverbrandingsinstallatie (AVI)

Een AVI is een afvalverbrandingsinstallatie die primair is opgericht voor het verbranden van 'vast stedelijk afval' (Zowel R1 als D10 installaties). AVI’s verbranden in hoofdzaak huishoudelijk restafval, met huishoudelijk restafval vergelijkbaar bedrijfsafval en gemengde fracties of sorteerresiduen uit het bewerken van deze stromen of uit het bewerken van bouw- en sloopafval. In praktijk gaat het om de 12 installaties die worden genoemd in Capaciteit van AVI’s. Dit zijn ook de 12 installaties die in aanmerking kunnen komen voor de R1-status op basis van de voetnoot bij de R1-handeling van bijlage II van de Kaderrichtlijn afvalstoffen.

Thermisch verwerken van afvalstoffen

Verzamelterm voor verbranden, vergassen en pyrolyse van afvalstoffen. Bij verbranden gaat het hierbij zowel om verbranden in afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) als om verbranden van in specifiek voor bepaalde afvalstoffen (ziekenhuisafval, zuiveringsslib, biomassa) ontworpen installaties en ook om bij- en meestook in cementovens, kolencentrales, etc.

Andere ‘thermische’ technieken zoals thermische reiniging, thermische immobilisatie (bijv. verglazen), of roosten van biomassa (torrefactie) vallen binnen het CMP niet onder de verzamelterm ‘thermisch verwerken van afvalstoffen’.

Recycling

Nuttige toepassing waardoor afvalstoffen opnieuw worden bewerkt tot producten, materialen of stoffen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel, met inbegrip van het opnieuw bewerken van organische afvalstoffen, en met uitsluiting van energieterugwinning en het opnieuw bewerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal.
Artikel 1.1 lid 1 Wet milieubeheer

Het CMP spreekt van het ‘verwerken’ van afvalstoffen en niet van het ‘bewerken’ van afvalstoffen. Omdat de definitie van recycling letterlijk is ontleend aan de Kra en de Wm, is ervoor gekozen om in tegenstelling tot de rest van het CMP hier ‘bewerken’ als begrip te behouden, maar wordt ook hier ‘verwerken’ bedoeld.

Andere nuttige toepassing

Nuttige toepassing niet zijnde voorbereiding voor hergebruik of recycling. Voorbeelden (niet limitatief en niet in hiërarchische volgorde) zijn:

  • hoofdgebruik als brandstof;
  • het verwerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof;
  • opvulling volgens de definitie in de Kra;
  • stabiliseren van ondergrondse ruimten d.m.v. vullen met afvalstoffen; de voorwaarden wanneer sprake is van ‘nuttige toepassing’ in plaats van storten zijn beschreven in Storten of nuttig toepassen;
  • directe inzet van een afvalstof als reductiemiddel in hoogovens mits inzet van primair materiaal voor die toepassing wordt vermeden;
  • directe inzet van een afvalstof als flocculatiemiddel of als DeNOx-middel mits inzet van primair materiaal voor die toepassing wordt vermeden;
  • detoneren mits inzet van andere explosieven wordt vermeden - komt voor in mijnbouw;
  • etc.

Essentieel om te spreken van 'recycling' is de voorwaarde dat sprake is van een bewerking en dat die bewerking leidt tot een materiaal dat beschikbaar blijft voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel. Daarom vallen toepassingen waarbij het materiaal direct (zonder bewerking) kan worden toegepast en gedurende de toepassing wordt verbruikt niet onder recycling maar wel onder andere nuttige toepassing.

Bedrijfsafvalstoffen

Afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.
Artikel 1.1 lid 1 Wet milieubeheer

Afval ontstaat bij alle bedrijven. Het betreft zowel het afval van kantoren en kantines als het afval dat ontstaat bij specifieke bedrijfsactiviteiten. Bij dit afval wordt onderscheid gemaakt tussen ‘bedrijfsafvalstoffen’ en gevaarlijke afvalstoffen. Ook industriële en procesafhankelijke afvalstoffen vallen onder de definitie van bedrijfsafvalstoffen als het afval geen gevaarlijk afval is. Onder het Besluit activiteiten leefomgeving zijn huishoudelijke afvalstoffen, nadat ze zijn ingezameld of afgegeven, ook bedrijfsafvalstoffen.

Gevaarlijke afvalstoffen

Afvalstoffen die een of meer van de in bijlage III bij de Kaderrichtlijn afvalstoffen genoemde gevaarlijke eigenschappen bezitten.
Artikel 1.1 lid 1 Wet milieubeheer

Deze abstracte definitie komt uit de Wet milieubeheer. In Nederland is dit opgenomen in de Regeling Europese afvalstoffenlijst. De laatste bevat een lijst met afvalstoffen waarin alle gevaarlijke afvalstoffen met een * zijn gemarkeerd. Daarnaast deelt de Eural een aantal stoffen die zijn vermeld in bijlage IV van de POP-verordening in als gevaarlijk afval.

Voor zowel deze lijst als voor regels met betrekking tot het gebruik ervan, wordt verder naar deze regelingen verwezen en naar 'Omgaan met de Euralcode' van de Leidraad vergunningverlening afvalverwerking (pdf, 853 kB).

Rie-biomassa

Producten die bestaan uit plantaardig landbouw- of bosbouwmateriaal dat gebruikt kan worden als brandstof om de energetische inhoud ervan te benutten. De volgende afvalstoffen zijn Rie-biomassa:

  1. plantaardig afval uit land- en bosbouw;
  2. plantaardig afval van de levensmiddelenindustrie, indien de opgewekte warmte wordt teruggewonnen;
  3. vezelachtig plantaardig afval afkomstig van de productie van ruwe pulp en van de productie van papier uit pulp; indien het op de plaats van productie wordt meeverbrand en de opgewekte warmte wordt teruggewonnen;
  4. kurkafval;
  5. houtafval, met uitzondering van houtafval dat ten gevolge van een behandeling met houtbeschermingsmiddelen of door het aanbrengen van een beschermingslaag gehalogeneerde organische verbindingen dan wel zware metalen kan bevatten wat in het bijzonder het geval is voor houtafval afkomstig van bouw- en sloopafval;

Artikel 3 lid 31 van de Richtlijn industriële emissies (Richtlijn 2010/75/EU).

Afvalverbrandingsinstallatie (AVI)

Een AVI is een afvalverbrandingsinstallatie die primair is opgericht voor het verbranden van 'vast stedelijk afval' (Zowel R1 als D10 installaties). AVI’s verbranden in hoofdzaak huishoudelijk restafval, met huishoudelijk restafval vergelijkbaar bedrijfsafval en gemengde fracties of sorteerresiduen uit het bewerken van deze stromen of uit het bewerken van bouw- en sloopafval. In praktijk gaat het om de 12 installaties die worden genoemd in Capaciteit van AVI’s. Dit zijn ook de 12 installaties die in aanmerking kunnen komen voor de R1-status op basis van de voetnoot bij de R1-handeling van bijlage II van de Kaderrichtlijn afvalstoffen.

Thermisch verwerken van afvalstoffen

Verzamelterm voor verbranden, vergassen en pyrolyse van afvalstoffen. Bij verbranden gaat het hierbij zowel om verbranden in afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) als om verbranden van in specifiek voor bepaalde afvalstoffen (ziekenhuisafval, zuiveringsslib, biomassa) ontworpen installaties en ook om bij- en meestook in cementovens, kolencentrales, etc.

Andere ‘thermische’ technieken zoals thermische reiniging, thermische immobilisatie (bijv. verglazen), of roosten van biomassa (torrefactie) vallen binnen het CMP niet onder de verzamelterm ‘thermisch verwerken van afvalstoffen’.

Recycling

Nuttige toepassing waardoor afvalstoffen opnieuw worden bewerkt tot producten, materialen of stoffen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel, met inbegrip van het opnieuw bewerken van organische afvalstoffen, en met uitsluiting van energieterugwinning en het opnieuw bewerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal.
Artikel 1.1 lid 1 Wet milieubeheer

Het CMP spreekt van het ‘verwerken’ van afvalstoffen en niet van het ‘bewerken’ van afvalstoffen. Omdat de definitie van recycling letterlijk is ontleend aan de Kra en de Wm, is ervoor gekozen om in tegenstelling tot de rest van het CMP hier ‘bewerken’ als begrip te behouden, maar wordt ook hier ‘verwerken’ bedoeld.

Andere nuttige toepassing

Nuttige toepassing niet zijnde voorbereiding voor hergebruik of recycling. Voorbeelden (niet limitatief en niet in hiërarchische volgorde) zijn:

  • hoofdgebruik als brandstof;
  • het verwerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof;
  • opvulling volgens de definitie in de Kra;
  • stabiliseren van ondergrondse ruimten d.m.v. vullen met afvalstoffen; de voorwaarden wanneer sprake is van ‘nuttige toepassing’ in plaats van storten zijn beschreven in Storten of nuttig toepassen;
  • directe inzet van een afvalstof als reductiemiddel in hoogovens mits inzet van primair materiaal voor die toepassing wordt vermeden;
  • directe inzet van een afvalstof als flocculatiemiddel of als DeNOx-middel mits inzet van primair materiaal voor die toepassing wordt vermeden;
  • detoneren mits inzet van andere explosieven wordt vermeden - komt voor in mijnbouw;
  • etc.

Essentieel om te spreken van 'recycling' is de voorwaarde dat sprake is van een bewerking en dat die bewerking leidt tot een materiaal dat beschikbaar blijft voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel. Daarom vallen toepassingen waarbij het materiaal direct (zonder bewerking) kan worden toegepast en gedurende de toepassing wordt verbruikt niet onder recycling maar wel onder andere nuttige toepassing.

Bedrijfsafvalstoffen

Afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.
Artikel 1.1 lid 1 Wet milieubeheer

Afval ontstaat bij alle bedrijven. Het betreft zowel het afval van kantoren en kantines als het afval dat ontstaat bij specifieke bedrijfsactiviteiten. Bij dit afval wordt onderscheid gemaakt tussen ‘bedrijfsafvalstoffen’ en gevaarlijke afvalstoffen. Ook industriële en procesafhankelijke afvalstoffen vallen onder de definitie van bedrijfsafvalstoffen als het afval geen gevaarlijk afval is. Onder het Besluit activiteiten leefomgeving zijn huishoudelijke afvalstoffen, nadat ze zijn ingezameld of afgegeven, ook bedrijfsafvalstoffen.

Gevaarlijke afvalstoffen

Afvalstoffen die een of meer van de in bijlage III bij de Kaderrichtlijn afvalstoffen genoemde gevaarlijke eigenschappen bezitten.
Artikel 1.1 lid 1 Wet milieubeheer

Deze abstracte definitie komt uit de Wet milieubeheer. In Nederland is dit opgenomen in de Regeling Europese afvalstoffenlijst. De laatste bevat een lijst met afvalstoffen waarin alle gevaarlijke afvalstoffen met een * zijn gemarkeerd. Daarnaast deelt de Eural een aantal stoffen die zijn vermeld in bijlage IV van de POP-verordening in als gevaarlijk afval.

Voor zowel deze lijst als voor regels met betrekking tot het gebruik ervan, wordt verder naar deze regelingen verwezen en naar 'Omgaan met de Euralcode' van de Leidraad vergunningverlening afvalverwerking.

Rie-biomassa

Producten die bestaan uit plantaardig landbouw- of bosbouwmateriaal dat gebruikt kan worden als brandstof om de energetische inhoud ervan te benutten. De volgende afvalstoffen zijn Rie-biomassa:

  1. plantaardig afval uit land- en bosbouw;
  2. plantaardig afval van de levensmiddelenindustrie, indien de opgewekte warmte wordt teruggewonnen;
  3. vezelachtig plantaardig afval afkomstig van de productie van ruwe pulp en van de productie van papier uit pulp; indien het op de plaats van productie wordt meeverbrand en de opgewekte warmte wordt teruggewonnen;
  4. kurkafval;
  5. houtafval, met uitzondering van houtafval dat ten gevolge van een behandeling met houtbeschermingsmiddelen of door het aanbrengen van een beschermingslaag gehalogeneerde organische verbindingen dan wel zware metalen kan bevatten wat in het bijzonder het geval is voor houtafval afkomstig van bouw- en sloopafval;

Artikel 3 lid 31 van de Richtlijn industriële emissies (Richtlijn 2010/75/EU).

Voorbereiding voor hergebruik

Nuttige toepassing bestaande uit controleren, schoonmaken of repareren, waarbij producten of componenten van producten, die afvalstoffen zijn geworden, worden klaargemaakt zodat ze zullen worden hergebruikt zonder dat verdere voorbehandeling nodig is.
Artikel 1.1 lid 1 Wet milieubeheer

Eural

De Eural is de Europese afvalstoffenlijst. In deze afvalstoffenlijst benoemt de Europese Commissie specifieke afvalstoffen. Alle afvalstoffen vallen onder een van de codes van de Eural (Euralcode). De lijst geeft ook aan welke afvalstof gevaarlijk is of niet.