Secundaire grondstoffen
Dit onderwerp beschrijft het belang van het stimuleren van afzetmarkten voor secundaire grondstoffen voor het realiseren van een circulaire economie. Ook wordt aangegeven wat diverse spelers in de keten kunnen of moeten doen om deze afzetmarkten te stimuleren. Tegelijkertijd wordt duidelijk dat de meest krachtige instrumenten om tot een betere afzetmarkt voor secundaire grondstoffen te komen buiten het CMP liggen.
1. Doelgroep
De doelgroep voor dit onderwerp in het CMP is erg breed:
- Voor het creëren van afzetmarkten voor recyclaat zijn de gebruikers van grondstoffen in ieder geval cruciaal. Gedacht kan worden aan bedrijven binnen de maakindustrie, maar ook aan bedrijven die actief zijn in de (wegen)bouw. Juist die partijen kunnen met een keuze voor secundaire in plaats van primaire grondstoffen veel invloed uitoefenen op de afzetmogelijkheden voor recyclaat.
- Daarnaast hebben ontwerpers, opdrachtgevers en afnemers veel invloed. In bestekken en inkoopcontracten kunnen zij eerdergenoemde bedrijven stimuleren of belonen om te kiezen voor secundaire grondstoffen.
- Ook overheden spelen hier een belangrijke rol. Via maatschappelijk verantwoord inkopen kunnen ze grote invloed uitoefenen op markten. Ook kunnen zij dwingend optreden door bijvoorbeeld in specifieke gevallen het gebruik van recyclaat als harde eis te stellen. Ook kunnen zij soms (wettelijke) belemmeringen voor het gebruik van secundair materiaal wegnemen en moeten zij oppassen om niet ongewild juist nieuwe belemmeringen op te werpen.
2. Belang voor circulaire economie
Veel materialen komen, ondanks alle inspanningen eerder in de keten, op enig moment toch in het afvalstadium. Recycling van die afvalstoffen is daarom een essentieel onderdeel van een circulaire economie. Technisch zijn veel afvalstoffen geschikt om zo te worden opgewerkt dat zij weer als grondstof kunnen dienen voor een nieuwe toepassing. Het heeft echter geen zin om deze recyclaten te produceren wanneer er geen vraag naar is. Bij gebrek aan vraag naar recyclaat worden bruikbare secundaire grondstoffen alsnog verbrand of gestort. Dit leidt tot onnodig veel en onnodig langdurend gebruik van primaire grondstoffen en zolang dat aan de orde is bereiken we geen circulaire economie.
3. Beleid en wetgeving
De onderstaande paragrafen gaan achtereenvolgend in op: verplicht gebruik van recyclaat, stimuleren van de afzetmarkt, het voorkomen van belemmeringen, de kwaliteit van recyclaat, de financiële instrumenten en de rol van het CMP.
3.1 Verplicht gebruik van recyclaat
Het stellen van eisen aan ‘recycled’ of ‘biobased content’ is in potentie een krachtig instrument van de overheid om de afzetmarkt van recyclaat te stimuleren. Relevant is wel dat voor veel producten sprake is van een internationale markt. In veel gevallen zal het stellen van eisen aan producten dan ook op internationaal niveau moeten plaatsvinden.
Het Nationale Programma Circulaire Economie 2023-2030 (NPCE) zegt hier over:
“Om een gelijk speelveld te creëren en te behouden kunnen wettelijke (ontwerp)eisen aan producten alleen op internationaal niveau worden genomen. Onder de huidige Europese Ecodesign-richtlijn zijn al circulaire producteisen opgesteld voor veel energie-gerelateerde producten. Deze richtlijn wordt gewijzigd in een nieuwe Europese Kaderverordening voor duurzame producten (Ecodesign for Sustainable Products Regulation (ESPR)). Dit betekent een verbreding en een verdieping: het wordt mogelijk om bredere duurzaamheidseisen te stellen aan vrijwel alle fysieke producten. Denk aan recyclebaarheid, herbruikbaarheid, levensduurverlenging, het gebruik van recyclaat en een verbod op bepaalde gevaarlijke stoffen. Ook het voorschrijven van een bepaald gehalte aan secundaire of biogrondstoffen bij nieuwe producten wordt mogelijk.”
Voorbeelden van verplichtingen om recyclaat te gebruiken zijn:
- Vanaf 2025 moeten PET-flessen volgens de Single Use Plastics-richtlijn (SUP, Richtlijn (EU) 2019/904) voor minstens 25 procent uit gerecyclede kunststoffen bestaan. In 2030 moet dit minstens 30 procent zijn.
- Op Europees niveau wordt onder andere in het kader van de Ecodesign-verordening voor een aantal productgroepen gewerkt aan een verplichting tot gebruik van recyclaat.
- De Batterijenverordening (Verordening (EU) 2023/1542) is een voorbeeld waarin al eisen zijn vastgelegd. Deze bevat een verplichting voor minimumpercentage gerecyclede metalen in batterijen vanaf 2030.
Naast harde wettelijke producteisen kan de overheid ook via andere instrumenten sturend optreden. Een voorbeeld hiervan is het instrument uitgebreide productenverantwoordelijkheid (UPV):
- In 2023 is de UPV voor textiel ingevoerd in Nederland. Producenten zijn door de UPV wettelijk gebonden aan jaarlijks oplopende doelstellingen. Vanaf 2025 moet het ingezamelde textiel zo worden bewerkt dat de textielvezels opnieuw worden toegepast in materialen voor kleding of huishoudtextiel. In 2025 is de doelstelling hiervoor ten minste 25% en in 2030 is dat 33%. Zie voor meer informatie het Ketenplan textiel.
3.2 Stimuleren van de afzetmarkt door de overheid
Maatschappelijk verantwoord inkopen (MVI) kan door het inkoopvolume van de overheid een krachtig instrument zijn om de markt voor bepaalde recyclaten te vergroten. MVI betekent dat bij de inkoop door overheden van producten, diensten en werken de effecten op mensen, de planeet en het milieu, en winst en welvaart worden meegenomen.
Binnen deze elementen is onder meer aandacht voor het specifieke thema circulair inkopen. Bij circulair inkopen borgt de inkopende partij dat de producten of materialen aan het einde van de levens- of gebruiksduur weer optimaal in een nieuwe cyclus worden ingezet. Cruciaal hierbij is waardebehoud van producten en materialen: waardevernietiging door recycling van het oorspronkelijke functionele materiaal in een niet gelijke of vergelijkbare toepassing moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Door middel van MVI worden leveranciers aangemoedigd en/of uitgenodigd om zo duurzaam mogelijke producten en diensten te leveren.
In onderstaande kader een voorbeeld hoe het gebruik van recyclaat wordt meegewogen bij aanbestedingen van bouwprojecten.
Het gebruik van de Milieu-Kosten-Indicator (MKI)
Bij het aanbesteden van bouwprojecten wordt vaak gebruik gemaakt van de Milieu-Kosten-Indicator (MKI). De MKI is gebaseerd op de methodiek van de levenscyclusanalyse (LCA). In deze methode worden diverse mogelijkheden voor een meer duurzame uitvoering van het project betrokken. Denk hierbij aan de keuze voor specifieke bouwmaterialen, logistieke optimalisatie, reductie energie- en waterverbruik, ontwerp met minder materialen, minder afvalproductie en hergebruik/recycling aan het einde levensduur. De MKI resulteert uiteindelijk in een score uitgedrukt in euro’s die bij aanbestedingen kan worden betrokken.
Over het algemeen geeft het toepassen van secundaire grondstoffen in de productie of bouwfase een lagere MKI dan wanneer bij het project primaire grondstoffen worden ingezet. Hiermee kan een aannemer dus voordeel bij de aanbesteding behalen door het gebruik van meer gerecyclede materialen. Zo heeft bij het gebruik als ophoogmateriaal gewassen AVI-bodemas bijvoorbeeld aan lagere MKI dan primair zand of klei. Ook gereinigde grond scoort bijvoorbeeld beter dan deze primaire ophoogmaterialen. Hierbij is er gerekend met forfaitaire of standaardtansportafstanden. Per specifieke situatie kan de feitelijke transportafstand voor secundaire materialen en de daardoor uitgespaarde primaire materialen leiden tot een ander resultaat.
Hoewel het gebruik van de MKI op het moment van publicatie van het CMP niet verplicht is, is het kabinet voornemens om het gebruik van de MKI te verplichten voor bepaalde situaties (zie onder II.A. van de Kamerbrief met toelichting op circulair klimaatbeleid. Zo is het voornemen om voor infrastructurele werken (GWW) een MKI-eis in te stellen voor beton, staal en asfalt, en wordt van publieke opdrachtgevers verwacht dat de MKI in grote infrastructurele aanbestedingsprojecten meegewogen wordt. Momenteel wordt in Nederland bij overheidsaanbestedingen in de bouw- en infrasector steeds vaker de MKI als criterium gebruikt. Dit betekent dat aannemers en ontwikkelaars bij hun inschrijvingen moeten aantonen wat de milieukosten van hun project zijn, uitgedrukt in de MKI. Dit helpt overheden bij het maken van duurzame keuzes en het minimaliseren van de milieueffecten van hun projecten. Voor nieuwbouwprojecten is het in Nederland reeds verplicht om de milieuprestatie van gebouwen te berekenen, waarbij de MKI een belangrijke rol speelt. De Milieuprestatie Gebouwen (MPG) is een instrument dat de milieueffecten van een gebouw gedurende de hele levenscyclus beoordeelt en uitdrukt in een score. Deze score moet onder een bepaalde grenswaarde blijven om aan de regelgeving te voldoen. Voor de GWW-sector zal regelgeving dus volgen.
3.3 Wegnemen/voorkomen van belemmeringen in regelgeving
Er zijn voor het bedrijfsleven meerdere mogelijkheden om ervaren knelpunten in of vragen over regelgeving aan te kaarten. Het Versnellingshuis Nederland Circulair is een goede ingang.
In een aantal gevallen wordt de afvalstatus van de secundaire materialen als obstakel ervaren, bijvoorbeeld omdat dit extra administratieve lasten met zich mee kan brengen of een specifieke vergunning vereist. Het onderwerp Afvalstof of niet-afvalstof beschrijft de regels rondom het onderscheid tussen afval en (bij)product.
Bij het formuleren van nieuwe regelgeving moeten alle overheden oppassen niet onbedoeld onnodige belemmeringen op te werpen. Het is bijvoorbeeld niet de bedoeling dat lokale of regionale overheden generieke beperkingen stellen aan het gebruik van secundaire bouwstoffen wanneer deze voldoen aan op landelijk niveau vastgestelde kwaliteitseisen. Hiermee wordt de afzet van geschikte secundaire materialen onnodig bemoeilijkt (zie voor meer info over dit specifieke voorbeeld ook Immobilisaat, vulstof of toeslagmateriaal).
3.4 Kwaliteit van recyclaat
Belangrijk om tot een afzet van recyclaat te komen is - naast de prijs in vergelijking tot de prijs van primair materiaal - dat de producenten van secundaire grondstoffen (de recyclingsector) en de gebruikers ervan (de maak-industrie en de bouwsector) elkaar vinden en afspraken maken over kwaliteit en hoeveelheden van het recyclaat. Het zijn primair deze marktpartijen die hier aan zet zijn.
Met de onderwerpen Mengen van afvalstoffen, ZZS en overige zorgstoffen en Immobilisaat, vulstof of toeslagmateriaal in het CMP draagt het Rijk bij aan het borgen van de recyclebaarheid van afvalstoffen en aan de kwaliteit van de grondstoffen voor de toekomst. Ook onderwerpen als Gescheiden inzameling huishoudelijk afval en Gescheiden houden bedrijfsafval en gevaarlijk afval dragen bij aan deze doelen.
3.5 Financiële instrumenten
Om innovatieve technieken voor de productie of toepassing van recyclaat te onderzoeken of te starten kunnen bedrijven en onderzoeksinstellingen gebruik maken van bepaalde subsidie- of fiscale regelingen, zoals Milieu Investeringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil).
Met de MIA profiteert een ondernemer van een investeringsaftrek die kan oplopen tot 45% van het investeringsbedrag. Die aftrek komt bovenop de gebruikelijke investeringsaftrek. Met de Vamil komt een ondernemer in aanmerking voor een afschrijving van 75% de investeringskosten dat bovendien kan op een zelf te bepalen tijdstip. Dit levert een liquiditeits- en rentevoordeel op. Voor welke investeringen welke regeling van toepassing is en hoe deze aan te vragen wordt verwezen naar de website van de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO).
MIA en Vamil zijn overigens niet de enige regelingen waarmee ondernemers financiële ondersteuning kunnen krijgen voor hun plannen. Zo is het onder meer mogelijk om met hulp van de overheid zonnepanelen te plaatsen, te investeren in natuurbescherming, exportplannen te realiseren, energieneutraal te bouwen, elektrische bedrijfsauto’s aan te schaffen of ideeën om te zetten in de innovaties van morgen. Meer informatie over de mogelijkheid is de vinden via de Subsidie- en financieringswijzer van RVO.
3.6 De rol van het CMP
Het voorgaande maakt duidelijk dat voldoende vraag naar recyclaat een cruciale voorwaarde is om ketens te kunnen sluiten. Ook blijkt dat veel instrumenten (verplicht gebruik van recyclaat, MVI, fiscale stimulering) buiten het CMP liggen. De bijdrage van het CMP ligt vooral op het ondersteunen van het produceren van kwalitatief goede secundaire grondstoffen. Hierbij zijn vooral de toetsingskaders bij mengen, zorgstoffen en voor immobiliseren van afvalstoffen belangrijke pijlers.
4. Toetsingskaders CMP
Dit onderwerp bevat geen eigen specifieke toetsingskaders waar rekening mee moet worden gehouden bij bijvoorbeeld vergunningverlening of decentrale regels.
5. Toekomstplannen
Het beleid en de kennis over circulaire economie is in ontwikkeling. Nieuwe beleidsintenties, wijzigingen van bestaand beleid of wijzigingen in wet- en regelgeving kunnen allemaal leiden tot aanpassingen van het CMP. Het CMP wordt daarom regelmatig geactualiseerd.
Op dit moment worden er geen ontwikkelingen voorzien die kunnen leiden tot wijzigingen in dit onderwerp. Wel wordt dit onderwerp geactualiseerd wanneer externe ontwikkelingen daar aanleiding toe geven. Denk aan de introductie van nieuwe verplichtingen voor recyclaatgebruik of van nieuwe stimuleringsregelingen.
Meer informatie over de ontwikkeling van het CMP en hoe stakeholders daarbij worden betrokken leest u in Wat is het CMP.
6. Hulpmiddelen en meer informatie
Bekijk voor meer informatie over het beleid voor circulaire economie en maatregelen voor substitutie van grondstoffen:
- Het Nationale Programma Circulaire Economie 2023-2030 (NPCE)
Secundaire materialen
Stof of materiaal ontstaan uit afvalstoffen waarvoor geldt dat deze zonder verdere verwerking toegepast kan worden als grondstof. Dit kan nog een afvalstof zijn of al einde-afvalstof als aan de voorwaarden hiervan wordt voldaan.