ZZS en overige zorgstoffen
Het onderwerp ‘ZZS en overige zorgstoffen’ gaat met name over zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) en het belang van aandacht voor deze stoffen in de transitie naar een circulaire economie. Ook andere stoffen dan ZZS kunnen een aandachtspunt zijn bij afvalverwerking en worden als ‘overige zorgstoffen’ aangeduid.
Veel ZZS hebben een functie in productieprocessen of geven bepaalde eigenschappen aan materialen en producten. ZZS kunnen ook tijdens productieprocessen ontstaan of kunnen op verschillende wijze in materialen en producten terechtkomen. Uiteindelijk komen ZZS ook in afvalstoffen terecht. Bij afvalverwerking en met name bij recycling tot nieuwe materialen of producten is aandacht nodig voor mogelijke blootstelling van mens of milieu aan deze ZZS.
Steeds vaker worden wettelijke beperkingen gesteld aan het gebruik van ZZS. Sommige ZZS mogen niet meer geproduceerd en op de markt gebracht worden. In materialen of producten gelden soms maximaal toegestane concentraties voor ZZS. Toch zijn ZZS in veel gevallen nog niet gereguleerd.
Dit onderwerp van het CMP gaat achtereenvolgens in op:
- de belangrijkste doelgroepen die dit hoofdstuk zouden moeten lezen (paragraaf 1);
- de risico’s van ZZS in de transitie naar een circulaire economie (paragraaf 2);
- de wetgeving die een rol speelt (paragraaf 3);
- toetsingskaders om de doelmatigheid te beoordelen van het verwerken van afvalstoffen met ZZS (paragraaf 4);
- toekomstplannen rond dit onderwerp (paragraaf 5);
- beschikbare hulpmiddelen en andere informatie (paragraaf 6).
Belangrijke begrippen - leeswijzer
In onderstaande paragrafen worden verschillende begrippen gebruikt waarvoor het handig is om ze te duiden of af te bakenen: ‘substance of very high concern’, ‘POP’s’, ‘zeer zorgwekkende stof (ZZS)’ en ‘zorgstoffen’. Zoals figuur 1 laat zien is elk begrip een deelverzameling van een breder begrip.
Uitgeschreven tekst figuur 1
Schematische weergave van categorieën stoffen. Het buitenste en grootste kader vertegenwoordigt ‘Stoffen (algemene term)’. Daarbinnen bevindt zich het kader ‘Zorgstoffen’ en ‘Stoffen die geen aanleiding geven tot zorg bij afvalverwerking of toepassing’. Het kader zorgstoffen omvat op zijn beurt de kaders ‘Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS)’ en ‘Overige stoffen (maar geen ZZS)’. Binnen het kader ‘Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS)’ zijn drie subcategorieën: ‘SVHC’s’, ‘POP’s’ en ‘Overige ZZS (geen SVHC of POP)’. De subcategorieën SVHC’s en POP’s kennen een beperkte overlap.
Als breedste begrip staat ‘stoffen' in de figuur als algemene term die soms handig is om te gebruiken. Als ‘stoffen’ wordt gebruikt is het niet van belang of het een SVHC, een ZZS of een andere zorgstof betreft.
Een deelverzameling van ‘stoffen’ zijn ‘zorgstoffen’. Dit zijn alle stoffen die door bepaalde eigenschappen schadelijk kunnen zijn voor het milieu en de volksgezondheid en een probleem kunnen vormen bij het verwerken van afvalstoffen waar ze in voorkomen of bij de toepassing waarvoor afvalstoffen gebruikt worden. Voorbeelden van zorgstoffen zijn - onder andere - medicijnresten, pathogenen, potentiële ZZS of bepaalde zware metalen. Als in dit hoofdstuk de term ‘zorgstoffen’ wordt gebruikt, dan zijn dus meer dan alleen ZZS bedoeld.
Sommige zorgstoffen worden in Nederland als ‘zeer zorgwekkende stof’ aangeduid. Dit zijn alle stoffen die voldoen aan de criteria van artikel 57 van REACH, ook als ze nog niet op Europees niveau als ‘SVHC’ zijn aangeduid. De groep ZZS is veel groter dan alleen de SVHC’s. Het RIVM houdt een lijst bij van bekende ZZS in de stoffendatabank. Op dit moment telt de ZZS-lijst van het RIVM ruim 2.500 stoffen. Als het CMP de term ZZS gebruikt, dan zijn alle ZZS bedoeld. Dus zowel de SVHC’s, de POP’s als alle overige ZZS.
Substances of very high concern (SVHC’s) zijn op Europees niveau aangemerkt als stoffen die voldoen aan de criteria van artikel 57 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (REACH) en op de zogeheten kandidatenlijst op de website van het European Chemicals Agency (ECHA) geplaatst. Op het moment van inwerkingtreding van het CMP, waren ongeveer 250 stoffen SVHC. De groep SVHC’s is dus een beperkte groep van ZZS. Als in dit hoofdstuk de term SVHC wordt gebruikt, dan zijn ook alleen maar SVHC’s bedoeld.
POP’s zijn stoffen die onder het Verdrag van Stockholm zijn aangemerkt als persistente organische verontreinigende stof (persistent organic pollutant). Ze zijn in de EU gereguleerd via Verordening (EU) 2019/1021 (POP-verordening). POP’s voldoen aan de criteria van artikel 57 van REACH, zijn daarmee ook ZZS, maar worden niet onder REACH gereguleerd om dubbele regulering te voorkomen. Wel staan sommige POP’s op de kandidatenlijst op de website van ECHA. Vandaar de overlap met SVHC’s in het figuur. Als in dit hoofdstuk de term POP’s wordt gebruikt, dan zijn ook alleen maar POP’s bedoeld.
1. Doelgroep
De inhoud van dit hoofdstuk is van belang voor de volgende betrokkenen in de productie- en afvalbeheerketen:
Bedrijven in de sectoren productie, installatie, bouw en overige ontdoeners
Bedrijven die ZZS in hun productieprocessen gebruiken of in hun bedrijfsproces materiaal verkrijgen waar ZZS in zitten (bij slopen, afvalinzameling, etc.), krijgen in dit hoofdstuk een beeld van hoe de keuzes in bedrijfsprocessen en het gebruik van ZZS in producten de mogelijkheden voor recycling van die producten beïnvloedt. Door de productie of het gebruik van ZZS door bedrijven kunnen ook de afvalstoffen van deze bedrijven met ZZS verontreinigd raken. Het is van belang dat bedrijven hun afvalverwerkers informeren over de mogelijke aanwezigheid van ZZS in de afvalstoffen die ze aan hun verwerkers aanbieden. Paragraaf 3.3.2 Het verstrekken van informatie aan afvalverwerkers beschrijft de verplichtingen die bedrijven daarin hebben.
Daarnaast kunnen ZZS en ook overige zorgstoffen de mogelijkheden beperken om residuen die bij productieprocessen ontstaan als niet-afvalstoffen op de markt te zetten. Daarom bevat Afvalstof of niet-afvalstof een toetsingskader voor afval-of-niet beoordelingen voor materiaal waarin ZZS of overige zorgstoffen aanwezig zijn.
Afvalverwerkers
Afvalstoffen kunnen verontreinigd zijn met ZZS en overige zorgstoffen. Hoewel afvalverwerkers niet verantwoordelijk zijn voor de aanwezigheid van deze stoffen, zijn ze wel verantwoordelijk voor een verantwoorde verwerking. Die verwerking kan verwijderen zijn als dat noodzakelijk is (bijvoorbeeld verbranden of storten), of nuttige toepassing als dat verantwoord is (recycling of andere vormen van nuttige toepassing).
Als recycling leidt tot het in de handel brengen van materialen of producten als niet-afvalstof, moet dit materiaal of product aan de wetgeving en voorwaarden voor einde-afval voldoen (zie Afvalstof of niet-afvalstof).
Het bevoegd gezag
Bij activiteiten door productiebedrijven die geen vergunning hebben voor het verwerken van afvalstoffen, het bevoegd gezag toetsen of de grondstoffen die het bedrijf gebruikt inderdaad geen afvalstoffen zijn. Hoe dit te beoordelen staat in Afvalstof of niet-afvalstof van het CMP. Bij die beoordeling is de aanwezigheid van ZZS en overige zorgstoffen relevant.
Bij het verlenen van vergunningen voor het verwerken van afvalstoffen met ZZS beoordeelt het bevoegd gezag of de verwerker rekening heeft gehouden met de Toetsingskaders van paragraaf 4.
2. Belang voor circulaire economie
Nederland en Europa zetten in op het creëren van een niet-toxische circulaire economie die schoon en veilig is. Dat wil zeggen dat grondstoffen en materialen zo lang en zo hoogwaardig mogelijk worden gebruikt, opnieuw worden gebruikt, dat ZZS en overige zorgstoffen alleen worden toegepast waar dat noodzakelijk is, dat emissies van ZZS vermeden worden of geminimaliseerd en dat recycling of andere vormen van nuttige toepassing geen onaanvaardbare blootstelling van mens en milieu aan ZZS of overige zorgstoffen veroorzaken (bron).
Wettelijk instrumentarium voor een niet-toxische CE
De stoffen- en productwetgeving is belangrijk voor de bronaanpak om het gebruik van ZZS of overige zorgstoffen te reguleren en waar het kan uit te faseren (stoppen met productie en gebruik). Die wetgeving is ook van belang bij het op de markt brengen van secundaire grondstoffen geproduceerd uit afvalstoffen. De regelgeving ter beperking van emissies naar lucht, water en bodem moet zorgen voor een veilige leefomgeving. Ook is er regelgeving voor bepaalde ZZS die specifiek gericht is op afvalstoffen. Paragraaf 3 Beleid en wetgeving gaat in op de belangrijkste wettelijke kaders die er momenteel zijn.
Uitfaseren van het gebruik van zorgstoffen
Het uitfaseren van ZZS of andere zorgstoffen zorgt ervoor dat ze ook uit afvalstoffen verdwijnen. Hoe snel dat gebeurt, hangt af van de levensduur van de producten of de materialen waarin deze stoffen zijn gebruikt. Uitfaseren van een zorgstof is pas mogelijk, wanneer een minder schadelijke alternatieve stof beschikbaar is voor de functie die de zorgstof in een product vervult of wanneer dat product zelf niet meer op de markt wordt gebracht. Bepaalde zorgstoffen hebben een noodzakelijke functie in een productieproces of geven noodzakelijk eigenschappen aan producten. Het vernieuwen van processen of het zoeken naar alternatieven om producten bepaalde eigenschappen te geven kost tijd. Geschikte of wenselijke alternatieven zullen niet altijd voorhanden zijn.
De rol van het CMP
Het CMP ondersteunt de transitie naar een niet-toxische circulaire economie. Als eerste geeft het CMP een overzicht van de wetgeving rond met name ZZS en wat die betekent voor afvalverwerking. Daarnaast beantwoordt het CMP de vraag wanneer het mengen van afvalstoffen met ZZS verantwoord is voor situaties waar wetgeving dit (nog) niet regelt. Ook geeft het CMP aan wanneer nuttige toepassing niet tot bezwaren leidt, wanneer het integraal verwijderen van afval met ZZS doelmatig is en wanneer ZZS een mogelijke belemmering vormen voor een einde-afvalstatus. Tot slot houdt het toetsingskader van sommige keten- of afvalplannen rekening met het feit dat bepaalde zorgstoffen in de afvalstoffen aanwezig kunnen zijn (bijvoorbeeld met betrekking tot PAK’s, PCB’s, kwik, asbest, arseen, etc.).
Belang van informatie
Bij afvalverwerkers moet de aanwezigheid van ZZS in afvalstoffen bekend zijn, zodat zij kunnen voldoen aan de wettelijke verplichting om emissies van ZZS te minimaliseren. Die informatie én informatie over de aanwezigheid van andere zorgstoffen is ook van belang om te kunnen bepalen of recycling of andere vormen van nuttige toepassing van de afvalstoffen verantwoord is. De afvalverwerker moet informatie bij de ontdoener kunnen opvragen als die ZZS een risico kan vormen in het verwerkingstraject. Voor sommige ontdoeners is het verstrekken van informatie aan de afvalverwerker over ZZS in hun afvalstoffen zelfs verplicht. Daarom moeten bedrijven (als ontdoener van de afvalstof) inzicht hebben of verkrijgen over ZZS en overige zorgstoffen die ze gebruiken en of die aanwezig zijn in hun grondstoffen en producten.
3. Beleid en wetgeving
Onderstaande paragrafen geven een overzicht van het beleid en de wetgeving rond met name ZZS in relatie tot het verwerken van afvalstoffen. Verwerken kan zowel gaan over het verwijderen van afvalstoffen (bijvoorbeeld storten of verbranden) als over recyclen of op een andere wijze nuttig toepassen. Het gaat om beleid en wetgeving op zowel Europees als nationaal niveau. Het overzicht is onderverdeeld in drie aandachtsgebieden:
- bronaanpak: het uitfaseren en beperken van het gebruik van ZZS;
- het verstrekken van informatie over ZZS in materialen, producten en afval;
- het verwerken van afvalstoffen die bepaalde ZZS
De laatste sub-paragraaf legt een koppeling tussen het beleid, de wetgeving en de Toetsingskaders van paragraaf 4 of van andere delen van het CMP.
De stoffen- en productwetgeving reguleert de voorkant van de keten: het toepassen van ZZS in productieprocessen en producten. De afvalwetgeving regelt de achterkant van de keten. Indirect is de wetgeving rond de emissies naar lucht, water en bodem van ZZS en overige zorgstoffen van belang. Dit komt beknopt aan bod bij de bronaanpak omdat dit ook doorwerkt naar ZZS die in materialen terecht komen.
De arbo-wetgeving blijft in onderstaande paragrafen buiten beschouwing.
3.1 Wetgeving bepaalt wat 'zeer zorgwekkende stoffen' zijn
Alvorens in te gaan op alle wetgeving rond ZZS, is het van belang om aan te geven wat ZZS zijn. Artikel 5.22a van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat een definitie van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS). Een hulpmiddel bij de identificatie van ZZS is de door het RIVM onderhouden database en lijst van ZZS. Het kan voorkomen dat een stof wel voldoet aan de ZZS-criteria, maar nog niet op de RIVM-lijst staat. Bijvoorbeeld een stof die een bedrijf zelf als carcinogeen, mutageen of reprotoxisch (C, M of R) heeft geclassificeerd. Ook deze stoffen voldoen aan artikel 5.22a lid 1 van het Bal en worden in het kader van het CMP als ZZS beschouwd.
Weergave artikel 5.22a Bal (zeer zorgwekkende stof)
Een zeer zorgwekkende stof is een stof die voldoet aan een of meer van de criteria of voorwaarden, bedoeld in artikel 57 van de REACH-verordening.
Een stof is in ieder geval een zeer zorgwekkende stof als die:
- voorkomt:
- in bijlage VI bij de CLP-verordening en in die bijlage is ingedeeld als carcinogeen, mutageen of reprotoxisch, categorie 1a of 1b;
- op de kandidatenlijst, bedoeld in artikel 59 van de REACH -verordening;
- in bijlage XVII bij de REACH-verordening ten aanzien van chemische stoffen waarvoor een restrictie geldt vanwege het voldoen aan de criteria van artikel 57 van die verordening;
- in bijlage I, II of III bij de verordening persistente organische verontreinigende stoffen;
- op de lijst van stoffen voor prioritaire actie die is vastgesteld op grond van artikel 6 van het Ospar-verdrag; of
- in bijlage X bij de kaderrichtlijn water, voor zover een stof in die bijlage is aangewezen als prioritaire gevaarlijke stof; of
- voldoet aan de vastgestelde wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen, bedoeld in:
- artikel 5, derde lid, van de Verordening (EU) nr. 528/2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden; of
-
bijlage II, paragraaf 3.6.5, bij de Verordening (EG) 1107/2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen.
Gevaareigenschappen van artikel 57 REACH
- C (carcinogeen): stoffen die voldoen aan de criteria voor indeling in de gevarenklasse kankerverwekkendheid van categorie 1A of 1B overeenkomstig afdeling 3.6, van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008;
- M (mutageen): stoffen die voldoen aan de criteria voor indeling in de gevarenklasse mutageniteit in geslachtscellen van categorie 1A of 1B overeenkomstig afdeling 3.5, van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008;
- R (reprotoxisch): stoffen die voldoen aan de criteria voor indeling in de gevarenklasse voortplantingstoxiciteit categorie 1A of 1B, schadelijke effecten voor de seksuele functie, de vruchtbaarheid of de ontwikkeling, overeenkomstig afdeling 3.7, van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008;
- stoffen die volgens de criteria van bijlage XIII persistent, bioaccumulerend en toxisch zijn;
- stoffen die volgens de criteria van bijlage XIII zeer persistent en zeer bioaccumulerend zijn;
- stoffen, zoals die welke hormoonontregelende eigenschappen hebben of die welke persistente, bioaccumulerende en toxische eigenschappen of zeer persistente en zeer bioaccumulerende eigenschappen hebben, die niet aan de criteria onder d) en e) voldoen, ten aanzien waarvan wetenschappelijke aanwijzingen worden gevonden voor waarschijnlijke ernstige gevolgen voor de gezondheid van de mens of voor het milieu die even zorgwekkend zijn als die van de stoffen die onder a) tot en met e) zijn vermeld en die per afzonderlijk geval volgens de procedure van artikel 59 worden vastgesteld.
3.2 Bronaanpak (beleid en wetgeving)
De Nederlandse inzet m.b.t. bronaanpak vertaalt zich ten eerste naar de inzet op dossiers rond normering die veelal een Europees karakter hebben. Zo zet het ministerie van IenW zich in voor normering van ZZS in Europese stoffenwetgeving zoals de POP-verordening, de Kwikverordening en REACH om het gebruik van deze stoffen in zowel primaire als secundaire grondstoffen te verminderen.
Daarnaast zet het ministerie zich in om producten duurzamer te maken door aanvullende eisen te stellen in bijvoorbeeld de Ecodesign verordening en de RoHS-richtlijn. Andere richtlijnen en verordeningen die normering bevatten voor stoffen die wel of niet aanwezig mogen zijn, vallen onder de verantwoordelijkheid van o.a. het ministerie van VWS. Waar nodig overleggen deze ministeries uiteraard met elkaar.
Om bedrijven te ondersteunen om veilige en duurzame alternatieven voor ZZS te ontwikkelen, heeft de Europese Commissie het ‘Safety-and-Sustainablity-by-Design’ ontwerpkader opgesteld. Dit zijn vrijwillige richtlijnen om bij het uitfaseren van een ZZS ‘spijtige vervanging’ te voorkomen en ervoor te zorgen dat nieuwe stoffen aan de wettelijke verplichtingen voor Europese wetgeving voldoen.
Het streven op nationaal niveau is om ZZS uit de leefomgeving te weren. Zowel door het gebruik van ZZS te vermijden waar het kan, als de verspreiding van ZZS via emissies, lozingen en afvalstoffen te minimaliseren. Dit beleid heeft zijn weerslag gekregen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
In de volgende paragrafen wordt ingegaan op Stoffen en productwetgeving (paragraaf 3.2.1) en op het beleid voor ZZS in het Bal (paragraaf 3.2.2).
3.2.1 Stoffen- en productwetgeving
Producenten moeten bij het op de markt brengen van materialen en producten voldoen aan de stoffen- en productwetgeving. Dat geldt ook voor producenten die materialen en producten maken met afvalstoffen als grondstof. Daarmee draagt productwetgeving en -normering bij aan de transitie naar een niet-toxische circulaire economie. De stoffen- en productwetgeving reguleert de voorkant van de keten. De belangrijkste wettelijke kaders worden hieronder kort toegelicht.
REACH
REACH bevat op de eerste plaats een registratieplicht voor stoffen die een fabrikant op de markt wil brengen. Ook beperkt REACH het op de markt brengen van stoffen met bepaalde gevaarlijke eigenschappen en van producten met die zorgstoffen. REACH kent een procedure om vast te stellen of stoffen voldoen aan de criteria van artikel 57. Die stoffen worden als ‘substance of very high concern’ (SVHC) aangeduid en geplaatst op de zogeheten kandidatenlijst op de website van het ECHA. Via een volgende procedure wordt bepaald of een SVHC moet worden uitgefaseerd. Die SVHC’s worden geplaatst in bijlage XIV. Deze SVHC’s mogen bedrijven alleen nog met een tijdelijke autorisatie (vaak 5, maximaal 12 jaar) gebruiken voor specifieke toepassingen waarvoor het gebruik is aangevraagd en goedgekeurd. Daarnaast geeft bijlage XVII (restricties) voor een hele lijst stoffen aan in welke toepassingen, onder welke voorwaarden en/of onder welke grenswaarden bedrijven deze stoffen of producten waarin deze stoffen zitten, nog wel of juist niet meer op de markt mogen brengen. Het gaat daarbij in hoofdzaak om stoffen die voldoen aan de criteria van artikel 57 (dit zijn ZZS), maar niet uitsluitend.
Hoewel REACH niet geldt voor afvalstoffen, is deze verordening wel van toepassing als na recycling een materiaal of een product als een niet-afvalstof op de markt wordt gebracht. Zie verder Afvalstof of niet-afvalstof.
De POP-verordening
Verordening (EU) 2019/1021 (verder: POP-verordening) verbiedt de productie, het gebruik en het in de handel brengen van stoffen die onder het Verdrag van Stockholm zijn aangemerkt als persistente organische verontreinigende stoffen (POP’s). POP’s zijn schadelijk voor de gezondheid, breken in het milieu slechts zeer langzaam af en hopen zich op in het menselijk lichaam en organismen in het milieu. De POP-verordening geeft in bijlage I maximaal toegestane gehalten aan POP’s in stoffen, mengsels en producten die worden vervaardigd, in de handel gebracht of gebruikt. Deze waarden gelden ook voor gerecycled materiaal en producten gemaakt van gerecycled materiaal.
Product-specifieke wetgeving
Naast de POP-verordening en REACH kent de EU diverse verordeningen en richtlijnen met beperkingen voor bepaalde stoffen in materialen en producten. Die stoffen kunnen ook ZZS zijn. Relevant voor ZZS zijn in elk geval:
- Verordening (EU) 2022/1616 (materialen en voorwerpen van gerecycleerde kunststof bestemd om met levensmiddelen in aanraking te komen),
- Verordening (EU) 2017/852 (kwik)
- Verordening (EG) 1223/2009 (cosmetica),
- Richtlijn 2011/65/EU (beperking van gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur - ook wel de RoHS-richtlijn),
- Verordening (EU) Veiligheid van speelgoed (in voorbereiding – anno 2025),
- Verordening (EU) Verpakkingen en verpakkingsafval (in voorbereiding) en
- Verordening (EU) 2024/1781 (Kaderverordening Ecodesign voor duurzame producten).
Verordeningen hebben rechtstreekse werking in de lidstaten. Richtlijnen moeten in nationale wetgeving worden omgezet. De RoHS-richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in een ministeriële regeling onder de Wet milieubeheer. Andere richtlijnen zijn geïmplementeerd in besluiten onder de Nederlandse Warenwet. Daarnaast heeft Nederland in nationale wetgeving ook grenswaarden gesteld aan gehalten van bepaalde zorgstoffen in onder meer meststoffen, brandstoffen en bouwstoffen.
Goederen en materialen bestemd voor hergebruik en ook gerecycled materiaal dat op de markt wordt gebracht moeten aan genoemde wettelijke kaders voldoen. Het Overzicht wetgeving in de keten bevat uitgebreide informatie over deze productwetgeving.
3.2.2 ZZS in het Besluit activiteiten leefomgeving
De bronaanpak in het Bal is met name gericht op het vermijden of minimaliseren van emissies van ZZS naar het milieu. Dat kan door bronaanpak, minimalisatie en continue verbetering. Hoewel deze aanpak zich met name richt op emissies en lozingen, zal dit ook tot gevolg hebben dat minder ZZS in (secundaire) materialen terechtkomen.
De kern van bronaanpak is ZZS daar aanpakken waar ze ontstaan op volgende wijze:
- Vervangen van de ZZS door een stof die niet of veel minder gevaarlijk is (substitutie).
- Aanpassen van werkprocessen, waar dit haalbaar en betaalbaar is (procesoptimalisatie). Het aanpassen van werkprocessen kan op verschillende manieren. Mogelijk kunnen bedrijven ZZS opnieuw gebruiken (recyclen) in het primaire proces of, het primaire werkproces zo aanpassen dat de hoeveelheden ZZS die nodig zijn sterk wordt verminderd of, voorkómen dat ZZS in contact komen met bijvoorbeeld afvalstoffen of te lozen proceswater.
Bronaanpak geniet de voorkeur, maar is niet altijd mogelijk. In dat geval beoordeelt het bevoegd gezag in hoeverre het toelaatbaar is dat de ZZS via de schoorsteen, via lozing van afvalwater of via afvalproducten in de leefomgeving terecht komen en spant het bedrijf zich in om de emissie en immissie continue te verminderen. Bedrijven zijn verplicht om iedere 5 jaar te rapporteren aan het bevoegd gezag over de getroffen maatregelen om de emissie van ZZS te verminderen, en de technieken die op de markt beschikbaar zijn gekomen om verdere invulling aan de minimalisatie te geven. Dit alles doen bedrijven met een vermijdings- en reductieprogramma (VRP).
De rijksoverheid voert diverse projecten en programma’s uit om dit beleid verder vorm te geven of om bedrijven en decentrale overheden te ondersteunen bij het uitvoeren van de verplichtingen uit het Bal. Het Impulsprogramma chemische stoffen is een van de voorbeelden. Ook is het Kennisnetwerk ZZS in het leven geroepen dat wordt georganiseerd en gefaciliteerd door het RIVM in opdracht van het ministerie.
Meer info over de minimalisatieverplichting, de bronaanpak en de VRP’s is te vinden op de pagina Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) van het Informatiepunt Leefomgeving.
3.3 Wetgeving rond het verstrekken van informatie over ZZS
Voor bedrijven die afvalstoffen verwerken is het van belang dat zij beschikken over informatie over de ZZS die in afvalstoffen kunnen voorkomen. Deze paragraaf bevat een korte toelichting van de belangrijkste wettelijke kaders die verplichten tot het verstrekken van informatie over ZZS.
3.3.1 Informatie over de aanwezigheid van zorgstoffen in producten
Onderstaande wetgeving kent bepalingen over het verstrekken van informatie over ZZS in producten. Het doel is om producten en materialen veilig te gebruiken en, in het geval van SCIP, ook veilig als afvalstof te kunnen verwerken.
REACH-bepalingen over informatieverstrekking
REACH bevat informatieverplichtingen die vooral bedoeld zijn voor het veilig gebruik van stoffen en producten. De belangrijkste verplichtingen zijn:
- Artikel 7 lid 2: producenten en importeurs moeten een melding doen aan het ECHA als in onderdelen van hun product een SVHC aanwezig is in een gehalte van meer dan 0,1% (gram/gram) en blootstelling van de mens of het milieu aan de SVHC kan optreden bij normale gebruiksomstandigheden.
- Artikel 31 lid 1: leveranciers van stoffen en mengsels moeten aan hun afnemers een veiligheidsinformatieblad (VIB) verstrekken als er een stof in zit in een gehalte waarmee de stof of het mengsel onder de Verordening (EG) 1272/2008 (ook bekend als de CLP-verordening) classificeert als ’gevaarlijke stof’.
- Artikel 33 lid 1: leveranciers van producten moeten het aan hun afnemers melden als producten onderdelen bevatten die uit een enkel materiaal bestaan met een gehalte aan een SVHC van 0,1% (gram/gram) of meer.
- Bijlage XVII: voor bepaalde zorgstoffen in materialen is de producent van producten die deze stoffen bevatten verplicht om de aanwezigheid van de zorgstof te vermelden op het product of de verpakking.
Kaderverordening Ecodesign (ESPR)
Naar verwachting zullen de komende jaren onder de Kaderverordening Ecodesign voor meerdere productgroepen verplichtingen komen om de aanwezigheid van zorgstoffen in een digitaal productpaspoort te vermelden.
SCIP-databank
Het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen (verder: Besluit melden) implementeert in artikel 7a een bepaling uit de Kaderrichtlijn afvalstoffen (Kra) die leveranciers verplicht om de informatie, die ze op grond van artikel 33 lid 1 van REACH aan hun afnemers melden, ook te melden aan het ECHA. Deze informatie komt in de zogeheten SCIP-databank (Substances of Concern In articles as such or in complex objects (Products)). De bedoeling is dat de informatie uit deze databank ten goede komt aan (onder meer) afvalverwerkers, zodat die bij de verwerking van afval waar de betreffende producten in zitten rekening kunnen houden met de aanwezige SVHC’s.
3.3.2 Het verstrekken van informatie aan afvalverwerkers
De Nederlandse wetgeving bevat de volgende verplichtingen voor het verstrekken van informatie over ZZS aan afvalverwerkers:
De Wet milieubeheer (artikel 10.39 lid 1a) verplicht diegene die afvalstoffen afgeeft om de ontvanger van die afvalstoffen te informeren over de aard, eigenschappen en samenstelling ervan.
Het Besluit melden geeft hieraan nadere uitwerking (in artikel 10 lid 2):
- Bedrijven moeten aan de ontvangers van hun afvalstoffen de euralcodes verstrekken waar de afvalstoffen onder vallen.
- Bedrijven moeten de namen verstrekken van ZZS die genoemd staan in hun vergunningen en in hun vermijdings- en reductieprogramma’s (VRP’s) die ze opstellen in het kader van de minimalisatieverplichting voor emissies van ZZS uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze verplichting is in het Besluit melden toegevoegd, omdat diezelfde ZZS mogelijk ook in de afvalstoffen aanwezig kunnen zijn.
- Afvalverwerkers die deze informatie ontvangen, moeten deze op hun beurt ook weer doorgeven aan een eventuele volgende afvalverwerker.
Voor het melden van ZZS in afvalstoffen geldt geen ondergrens voor de concentratie aan ZZS.
De nota van toelichting bij de wijziging van het Besluit melden van 11 april 2024 en de Handreiking voor de uitvoering van de informatieverplichting over ZZS in afvalstoffen in het Besluit melden (pdf, 197 kB) geven meer achtergrond bij deze verplichtingen en geven aan welke basis de wetgeving biedt voor het verkrijgen van alle informatie over ZZS die nodig is voor verantwoorde afvalverwerking (bron). De afvalverwerker moet ten opzichte van het Besluit melden aanvullende informatievragen stellen aan de ontdoener als dat is gebaseerd op een gemotiveerde zorg dat een bepaalde ZZS een risico kan vormen in het verwerkingstraject. Ter verdere ondersteuning van de verplichting van artikel 10.39 Wet milieubeheer bevatten alle ketenplannen en een groot deel van de afvalplannen een lijst met ZZS die in bepaalde gevallen in de afvalstoffen kunnen voorkomen.
3.4 Wetgeving voor het verwerken van afvalstoffen met zorgstoffen
Hoe bedrijven afvalstoffen met ZZS moeten verwerken, wordt deels bepaald door wetgeving en deels door generieke of specifieke toetsingskaders van het CMP. Daarom moeten afvalbedrijven letten op zowel de wetgeving als op deze toetsingskaders van de onderwerpen van het CMP of de specifieke keten- of afvalplannen.
Deze paragraaf geeft een overzicht van de wetgeving die van belang is voor het verwerken van afvalstoffen die ZZS bevatten. Het bevoegd gezag moet met die wetgeving rekening houden of deze betrekken bij het verlenen van een omgevingsvergunning.
3.4.1 Omgevingswet
De Omgevingswet (Ow) bepaalt welke activiteiten bedrijven binnen algemene regels mogen uitvoeren en welke activiteiten vergunningplichtig zijn. Het verwerken van afvalstoffen met ZZS is in veel gevallen vergunningplichtig. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dat onder de Omgevingswet hangt, benoemt diverse milieubelastende activiteiten (mba) die betrekking hebben op het verwerken van afvalstoffen. De volgende drie mba’s zijn daarbij het meest relevant omdat sprake kan zijn van een vergunningplichtige activiteit voor het verwerken van afvalstoffen met ZZS:
- Paragraaf 3.3.10 van het Bal voor een ‘afvalbeheer IPPC-installatie’. Bij een dergelijke installatie is het verwerken altijd vergunningplichtig. Bij een IPPC-installatie geldt de vergunningplicht immers voor de hele installatie en alle functioneel ondersteunende activiteiten.
- Paragraaf 3.2.13 Bal: het verwerken van bedrijfsafval of gevaarlijk afval voorafgaand aan inzameling of afgifte door een bedrijf dat geen andere activiteiten met het afval uitvoert dan mengen, opbulken, opslaan, scheiden, herverpakken of verdichten;
- Paragraaf 3.5.11 Bal: het verwerken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.
In artikel 8.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staat dat het bevoegd gezag bij het beoordelen van een vergunningaanvraag voor het verwerken van afvalstoffen rekening moet houden met artikel 10.14 Wet milieubeheer (Wm). Op grond van dat artikel moet het bevoegd gezag rekening houden met het CMP. Dit betekent dat het bevoegd gezag de activiteit waarvoor een bedrijf vergunning aanvraagt moet toetsen aan het CMP. Zo beoordeelt het bevoegd gezag of sprake is van een doelmatig beheer van afvalstoffen.
3.4.2 Wetgeving voor verwerken van afval met specifieke zorgstoffen
Naast de Ow en het Bal heeft ook andere wetgeving gevolgen voor het verwerken van afvalstoffen met bepaalde ZZS of overige zorgstoffen. Die wettelijke vereisten gelden ongeacht of er in de vergunning op ingegaan wordt. Bij het formuleren van de minimumstandaarden in het CMP is rekening gehouden met deze vereisten als bekend is dat de zorgstof vaak in de afvalstoffen aanwezig is.
Voorbeelden van wetgeving die van belang is bij het verwerken van afval met bepaalde zorgstoffen
De volgende wettelijke kaders bevatten voorschriften voor het verwerken van afval met ZZS en/of overige zorgstoffen:
- Verordening (EU) 2019/1021 (POP-verordening) kent bepalingen over het verwerken van POP-houdend afval (artikel 7, bijlagen IV en V). Voorbeelden van POP’s in afvalstoffen zijn gebromeerde brandvertragers en andere additieven in kunststoffen, PCB’s, dioxines en bepaalde PFAS. Deze POP’s kunnen in verschillende afvalstoffen voorkomen. Voor afvalstoffen waarvan bekend is dat POP’s geregeld in het afval aanwezig zijn, sluit de minimumstandaard aan bij de wijze van verwerken die de POP-verordening voorschrijft.
- Verordening (EU) 2017/852 (Kwikverordening) bepaalt onder andere dat kwik dat uit bepaalde processen vrijkomt, niet nuttig toegepast mag worden maar verwijderd moet worden (permanente opslag). Deze bepaling is overgenomen in de minimumstandaard voor het verwerken van metallisch kwik dat afkomstig is van de winning en het transport van aardgas (zie het Afvalplan kwikhoudende afvalstoffen).
- Verordening (EU) Nr. 2024/590 (Verordening ozonlaagafbrekende stoffen) en Verordening (EU) 2024/573) (F-gassenverordening) bevatten bepalingen dat tijdens bouw- en sloopwerkzaamheden isolatieplaten met bepaalde ozonafbrekende stoffen en F-gassen moeten worden verwijderd op zodanige wijze dat emissies van deze gassen zoveel mogelijk wordt vermeden. Het schuim of de gassen die de isolatieplaten bevatten moet op zodanige wijze worden behandeld dat vernietiging van de gassen gewaarborgd is. Daarnaast bevatten deze verordeningen bepalingen over het verwerken van teruggewonnen gassen uit producten en installaties.
- Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 heeft als doel het verwijderen van asbest-bevattende materialen uit gebouwen of objecten en het beperken van emissie van asbestvezels bij het slopen. In het Besluit bouwwerken leefomgeving staat in welke gevallen en onder welke voorwaarden een melding voor het verwijderen van asbest uit een bouwwerk gedaan moet worden. Het op de markt brengen en het gebruik van asbesthoudende voorwerpen en mengsels is gereguleerd in REACH.
- Verordening EU) 2023/1542 (Batterijenverordening) kent voorschriften voor het verwerken van batterijen die kwik en/of cadmium bevatten (Bijlage XII). Kwik en cadmium moeten bij het verwerken gescheiden worden in een identificeerbare stroom. Kwik moet vervolgens veilig worden geïmmobiliseerd en verwijderd. Aan de afgescheiden stroom cadmium moet een veilige bestemming worden gegeven.
- De Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur zorgt samen met de Richtlijn 2012/19/EU (Richtlijn AEEA) voor een passende verwerking van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur door middel van een verplichte afscheiding (Bijlage VII van de richtlijn) en technische voorschriften voor opslag en verwerking (Bijlage VIII van de richtlijn) voor pcb/PCT-houdende condensatoren en ander gevaarlijk afval.
- Het Besluit beheer autowrakken en het Besluit activiteiten leefomgeving implementeren Richtlijn 2000/53/EG (autowrakkenrichtlijn) met technische minimumeisen voor verwerking van autowrakken.
Bovenstaande lijst is niet limitatief. Bedrijven die afvalstoffen met ZZS of andere zorgstoffen verwerken moeten zich houden aan alle wetgeving die direct werkende bepalingen bevat over hoe specifieke afvalstoffen te verwerken.
3.4.3 Zorgplicht
Zowel de Omgevingswet als de Wet milieubeheer kennen bepalingen over de zorgplicht.
De Omgevingswet kent een algemene zorgplicht, een algemeen verbod en een specifieke zorgplicht. Samen zorgen ze ervoor dat overheid, bedrijven en burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. De zorgplicht geldt ook bij het verwerken van afval met zorgstoffen.
Zo ziet de zorgplicht in de Omgevingswet er uit
De algemene zorgplicht houdt in dat overheden, bedrijven én burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde leefomgeving. Deze algemene zorgplicht is niet van toepassing als er specifieke decentrale of rijksregels zijn (zie artikel 1.8 Omgevingswet).
- Op grond van het algemeen verbod (artikel 1.7a Omgevingswet) is het verboden om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan. Bijvoorbeeld een milieuverontreiniging die aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water veroorzaakt. Dit verbod is niet van toepassing als er specifieke decentrale of rijksregels gelden. Zie artikel 1.8 Omgevingswet.
- Een specifieke zorgplicht (artikel 2.11 Bal) geldt voor milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Bal zijn aangewezen. Een handeling valt onder een specifieke zorgplicht als degene die de activiteit verricht weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handeling nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Ook iets nalaten kan onder de specifieke zorgplicht vallen.
Omdat een zorgplicht geldt, is het niet nodig om alle potentiële nadelige gevolgen van activiteiten volledig met detailregels af te dekken. De rijksregels over activiteiten in het Bal hebben betrekking op een breed scala aan activiteiten en het is onmogelijk om alle potentiële gevolgen van die activiteiten vooraf te voorzien en daarvoor concrete regels te stellen. Daarom zijn de uitgewerkte rijksregels gericht op de belangrijkste nadelige gevolgen en dekt de zorgplicht eventuele andere situaties.
De zorgplicht is er ook omdat er altijd onvoorziene situaties kunnen ontstaan. Ontwikkelingen waarmee de wetgever vooraf geen rekening kon houden. Zo kan na nieuw onderzoek blijken dat bepaalde zorgstoffen schadelijker zijn dan eerder bekend was. Bedrijven moeten daarom blijven nadenken over de gevolgen van hun activiteiten. Met name als situaties of omstandigheden veranderen. Zij zijn verplicht goed op nieuwe ontwikkelingen in te spelen. De zorgplicht biedt dus ook in toekomstige situaties bescherming van de leefomgeving.
Meer informatie over de zorgplicht in de Omgevingswet staat op de pagina zorgplicht van IPLO.
In de Wet milieubeheer vervult de zorgplicht een vangnetfunctie. Artikel 10.1 lid 3 en lid 4 Wm richt zich tot diegene die beroeps- of bedrijfsmatig omgaat met afvalstoffen. In beide gevallen kan het bevoegd gezag optreden bij het onzorgvuldig omgaan met afvalstoffen, voor zover niet op basis van een specifieke bepaling kan worden opgetreden.
Zo ziet de zorgplicht in de Wet milieubeheer er uit
De zorgplicht in artikel 10.1 van de Wet milieubeheer (Wm) luidt als volgt:
- Een ieder die handelingen met betrekking tot afvalstoffen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, is verplicht alle maatregelen te nemen of na te laten die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
- Het is een ieder bij wie afvalstoffen ontstaan, verboden handelingen met betrekking tot die afvalstoffen te verrichten of na te laten, waarvan hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan.
- Het is een ieder verboden bedrijfsmatig of in een omvang of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen te verrichten, indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan.
- De verboden, bedoeld in het tweede en derde lid, gelden niet voor zover deze handelingen betreffen, die degene die deze verricht, uitdrukkelijk zijn toegestaan bij of krachtens de Wet milieubeheer, een in artikel 13.1, tweede lid, van de Wm genoemde wet, de Omgevingswet of de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
3.5 Welke ZZS in welke afvalstof
De lastigste vraag van dit hele onderwerp is welke ZZS in welke afvalstof zit. Die vraag is altijd van belang om te kunnen bepalen of een verwerking kan worden vergund (paragraaf 4 en andere toetsingskaders uit het CMP) en dus als doelmatig kan worden beoordeeld. Die vraag is niet alleen van belang voor het CMP, maar ook voor het voldoen aan beleid en wetgeving rond de Bronaanpak (paragraaf 3.2) en de Wetgeving rond het verstrekken van informatie aan afvalverwerkers over ZZS (Paragraaf 3.3).
De kennis over welke ZZS in welke afval kunnen zitten is nog in opbouw. De beschikbare kennis is samengebracht in de ZZS in afval zoeker van het RIVM en is vooralsnog ook opgenomen in de verschillende afval- en ketenplannen van het CMP. Dit betreft in hoofdzaak informatie over SVHC’s die mogelijk boven de waarde zoals opgenomen in paragraaf 4.2 Nuttige toepassing van afvalstoffen met ZZS in de afvalstof aanwezig kunnen zijn. Daarnaast moeten ontdoeners bepaalde informatie over ZZS aan de afvalverwerker verstrekken. De afvalverwerker kan altijd informatievragen stellen aan de ontdoener als dat is gebaseerd op een gemotiveerde zorg dat een bepaalde ZZS een risico kan vormen in het verwerkingstraject (zie Het verstrekken van informatie aan afvalverwerkers in paragraaf 3.3.2). Dus ook bij lagere concentraties of ZZS die niet in ZZS in afval zoeker staan.
3.6 Samenhang wettelijke kaders en toetsingskader CMP
Elke activiteit waarbij afvalstoffen worden verwerkt die ZZS bevatten, moet voldoen aan wetgeving die op die activiteit van toepassing is. Als die activiteit bovendien in het Bal is aangeduid als een milieubelastende activiteit waarvoor een vergunning is vereist, moet het bevoegd gezag de vergunningaanvraag beoordelen. Voor activiteiten met afvalstoffen moet het bevoegd gezag bij het beoordelen van de aanvraag rekening houden met dit CMP en de opgenomen toetsingskaders (art. 8.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en 10.14 Wet milieubeheer). Zo toetst het of sprake is van doelmatig beheer van afvalstoffen. De vergunningaanvraag en de daarbij aangeleverde documenten zijn de basis voor die toets.
Inhoud van de vergunningaanvraag
De vergunningaanvraag moet een duidelijke beschrijving bevatten van welke afvalstoffen worden verwerkt, hoe ze worden verwerkt en of in die afvalstoffen verontreinigingen kunnen zitten. Zie hiervoor ook de Leidraad vergunningverlening afvalverwerking met specifieke bepalingen over ZZS in het acceptatie- en verwerkingsbeleid.
4. Toetsingskaders CMP
Deze paragraaf bevat een aantal toetsingskaders die gebruikt moeten worden bij de toets op doelmatig afvalbeheer bij het beoordelen van een vergunningsaanvraag voor het verwerken van afvalstoffen met ZZS. Het bevoegd gezag gebruikt deze toetsingskaders als de minimumstandaard van de afvalstof geen rekening houdt met de betreffende ZZS of, als er überhaupt geen minimumstandaard voor het verwerken van de afvalstof is.
Relatie tot andere delen van het CMP en tot andere wetgeving
Deze toetsingskaders staan naast andere toetsingskaders van het CMP zoals de toetsingskaders voor het mengen van afvalstoffen en deze voor het toepassen als immobilisaat, vulstof of toeslagmateriaal. Bij het beoordelen van een activiteit moeten altijd alle relevante onderdelen van het CMP worden betrokken.
De toetsingskaders hebben alleen betrekking op het beoordelen van de doelmatigheid van de verwerking van afvalstoffen met ZZS. Op grond hiervan mag niet de conclusie worden getrokken dat een emissie of lozing van ZZS toegestaan kan worden. Voor het reguleren van emissies en lozing van ZZS gelden immers andere (wettelijke) kaders.
ZZS waarvoor de toetsingskaders gelden
De toetsingskaders voor vergunningverlening gelden voor alle stoffen die ZZS zijn volgens de definitie in artikel 5.22a van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Zie voor meer uitleg paragraaf 3.1 Wetgeving bepaalt wat ZZS zijn van dit hoofdstuk. Stoffen die aan artikel 57 REACH voldoen, maar nog niet op de RIVM-lijst met ZZS staan, worden eveneens als ZZS beschouwd. Dit zijn ook stoffen die een bedrijf zelf als ZZS heeft geclassificeerd.
In beginsel gelden de toetsingskaders van deze paragraaf 4 voor alle groepen ZZS:
- ZZS waarvoor in REACH restricties gelden (bijlage XVII),
- ZZS waarvoor in REACH autorisaties gelden (bijlage XIV),
- ZZS die op de kandidatenlijst van REACH staan, maar nog niet op bijlage XIV (autorisaties),
- stoffen die op de RIVM-lijst staan maar (nog) niet op de kandidatenlijst van REACH,
- POP-stoffen die gereguleerd zijn in de POP-verordening,
- stoffen die een bedrijf zelf als ZZS heeft geclassificeerd.
De zogeheten ‘potentiële ZZS’ (pZZS) vallen niet onder de toetsingskaders.
Potentiële ZZS
Potentiële ZZS zijn stoffen die mogelijk voldoen aan de ZZS criteria, maar nog niet als ZZS zijn vastgesteld. Dit kan zijn omdat bepaalde gegevens ontbreken, of omdat de evaluatie van de beschikbare gegevens nog moet plaatsvinden. Op de website van het RIVM is een lijst met potentiële ZZS te raadplegen. Pas als potentiële ZZS als ZZS zijn vastgesteld, gelden de toetsingskaders voor ZZS.
Overzicht toetsingskaders relevant voor ZZS
Hieronder staan alle toetsingskaders van het CMP die mogelijk van belang zijn bij het verwerken van afvalstoffen die ZZS bevatten. Afhankelijk van de situatie zullen één of meerdere hiervan van toepassing zijn bij het beoordelen van de activiteit.
Figuur 2: Toetsingskaders voor afvalstoffen met ZZS
Uitgeschreven tekst figuur 2
De afbeelding toont een overzicht van verschillende toetsingskaders voor afvalstoffen. Er zijn vier kaders naast elkaar weergegeven. Het eerste kader heet 'Toetsingskader in ZZS en overige zorgstoffen'. Daarin vallen drie onderwerpen: verwijderen of vernietigen van ZZS uit afval (paragraaf 4.1), nuttige toepassing van afvalstoffen die ZZS bevatten (paragraaf 4.2), en verwijderen van afvalstoffen die ZZS bevatten (paragraaf 4.3). Het tweede kader heet 'Toetsingskaders in Mengen van afvalstoffen'. Daarin vallen drie onderwerpen: mengen van POP-houdend afval, mengen van gevaarlijk afval en mengen van afval dat PBT-, zPzB-stoffen of stoffen van gelijkwaardige zorg bevat. Het derde kader heet 'Toetsingskaders in Immobilisaat, vulstof of toeslagmateriaal'. Daaronder valt mengen van afvalstoffen tot bouwstoffen. Het vierde kader heet 'Toetsingskaders in Afvalstof of niet-afvalstof'. Daaronder valt de beoordeling van einde-afvalstof. Samen laten de kaders zien welke verschillende toetsingskaders er zijn binnen het beleid voor afvalstoffen en hoe specifieke soorten afval en toepassingen worden beoordeeld.
4.1 Toetsingskader afscheiden of vernietigen van ZZS
Het beleid richt zich op het zoveel mogelijk nuttig toepassen van afvalstoffen, waarbij geen sprake is van onaanvaardbare blootstelling van mens en milieu aan zorgstoffen. Als een bedrijf een vergunning aanvraagt voor het afscheiden of vernietigen van ZZS uit een afvalstof, beoordeelt het bevoegd gezag deze verwerking als doelmatig omdat dit altijd leidt tot een lagere concentratie aan ZZS in de afvalstof. Na deze verwerking blijft een afvalstof over met geen of minder ZZS.
Tot welke ZZS-concentratie de verwerking moet leiden, is afhankelijk van hoe de afvalstof (dus met minder of geen ZZS) verder verwerkt zal worden. Voor die verdere verwerking blijven de andere toetsingskaders van het CMP relevant:
- Als de concentratie hoger blijft dan de concentratiegrenswaarde uit paragraaf 4.3 (CGW), dan blijven naast uiteraard de minimumstandaard of de afvalhiërarchie ook paragraaf 4.2 ‘Toetsingskader nuttige toepassing van afvalstoffen met ZZS’ en de toetsingskaders van Mengen van afvalstoffen en Immobilisaat, vulstof of toeslagmateriaal van toepassing op een volgende activiteit met deze afvalstof.
- Als de concentratie lager wordt dan de GCW, dan moet de verdere verwerking uiteraard nog steeds voldoen aan de minimumstandaard van het afvalplan of de afvalhiërarchie en de toetsingskaders van Mengen van afvalstoffen en Immobilisaat, vulstof of toeslagmateriaal.
Een bedrijf dat een dergelijke activiteit wil ontplooien dient goed zicht te hebben op de concentraties aan ZZS die in de afvalstoffen zitten voor én na verwerking.
4.2 Toetsingskader nuttige toepassing van afvalstoffen met ZZS
Als een bedrijf een vergunning aanvraagt voor het nuttig toepassen van een afvalstof die ZZS bevat, beoordeelt het bevoegd gezag deze verwerking aan de hand van onderstaand toetsingskader. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen afvalstoffen die ZZS bevatten boven een bepaalde concentratie en onder een bepaalde concentratie (zie verder bij het laatste kopje hieronder over de concentratiegrenswaarde).
Niet van toepassing op POP-stoffen
Omdat de POP-verordening regelt of en wanneer nuttige toepassing van afvalstoffen met POP’s is toegestaan, geldt dit toetsingskader niet voor afvalstoffen die POP-stoffen bevatten. Zie paragraaf 3.2.1 Stoffen- en productwetgeving.
Nuttige toepassing van afval met ZZS boven de concentratiegrenswaarde (CGW)
Het bevoegd gezag kan geen vergunning verlenen voor het nuttig toepassen van het materiaal zonder dat de ZZS afgescheiden of vernietigd wordt als verwerkingsmogelijkheden bestaan die in redelijkheid bereikbaar (of in oprichting) zijn en de ZZS uit de afvalstof kunnen afscheiden of vernietigen met behoud van het overige materiaal. In dat geval is een nuttige toepassing zonder afscheiden of vernietigen van de ZZS niet doelmatig en dus niet vergunbaar.
Als een verwerking operationeel is (of komt binnen afzienbare tijd) die de ZZS uit een afvalstof haalt met behoud van het overige materiaal, heeft dat beleidsmatig namelijk de voorkeur. De ZZS wordt dan uit de economie gehaald, terwijl het materiaal beschikbaar blijft voor diverse toepassingen. Nuttige toepassing van dezelfde afvalstof met de ZZS er nog in, laat het risico van directe of toekomstige verspreiding onnodig voortbestaan.
Een verwerkingsfaciliteit is in redelijkheid bereikbaar als deze in Nederland ligt. Bij verwerkingsfaciliteiten die alleen in het buitenland liggen, moet die buitenlandse verwerker betrokken worden in de beoordeling. Als ‘afzienbare tijd’ wordt 1 jaar als indicatie gegeven. Dit geeft een dergelijke installatie de gelegenheid om een voorraad te verwerken afvalstoffen aan te leggen tegen opstart.
Het is geen vereiste dat het bedrijf dat het ZZS-houdend afval nuttig wil toepassen zelf de ZZS uit het afval gaat afscheiden of gaat onderzoeken of dat in het eigen bedrijf mogelijk is. Deze verwerker kan ervoor kiezen om zijn proces zo te ontwerpen dat ook hij de ZZS uit het afval kan verwijderen, of niet. In dat laatste geval kan hij zelf geen vergunning krijgen om dit afval toch te verwerken.
Als er geen verwerkingsmogelijkheden bestaan die in redelijkheid bereikbaar (of in oprichting) zijn die de ZZS uit de afvalstof kunnen afscheiden of vernietigen met behoud van het overige materiaal, dan vormt de ZZS geen belemmering voor vergunningverlening.
Een bedrijf is zelf verantwoordelijk om te toetsen of het resultaat van de verwerking voldoet aan wetten en regels die van toepassing zijn (bijvoorbeeld de wet rond het gebruik als bouwstof, meststof of eisen die gesteld worden aan bepaalde goederen zoals elektronica, speelgoed, etc.).
Als de nuttige toepassing leidt tot een materiaal of product dat de afvalverwerker als niet-afvalstof wil verhandelen, dan is een einde-afval beoordeling nodig. Zie hiervoor Afvalstof of niet-afvalstof van het CMP. Bij die beoordeling wordt ook naar ZZS én overige zorgstoffen gekeken, ongeacht de concentratie in het afval.
Nuttige toepassing van afval met ZZS onder de concentratiegrenswaarde
De ZZS vormt geen belemmering voor het vergunnen van de nuttige toepassing. Uiteraard moet het bevoegd gezag ook andere toetsingskaders uit het CMP betrekken bij het beoordelen van de vergunningaanvraag.
Een bedrijf is zelf verantwoordelijk om te toetsen of het resultaat van de verwerking voldoet aan wetten en regels die van toepassing zijn (bijvoorbeeld de wet rond het gebruik als bouwstof, meststof of eisen die gesteld worden aan bepaalde goederen zoals elektronica, speelgoed, etc.).
Als de nuttige toepassing leidt tot een materiaal of product dat de afvalverwerker als niet-afvalstof wil verhandelen, dan is een einde-afval beoordeling nodig. Zie hiervoor Afvalstof of niet-afvalstof van het CMP. Bij die beoordeling wordt ook naar ZZS én overige zorgstoffen gekeken, ongeacht de concentratie in het afval.
De concentratiegrenswaarde
De concentratiegrenswaarde (CGW) waarnaar verwezen wordt in dit toetsingskader is afhankelijk van de aard van de ZZS en staat weergegeven in onderstaande tabel. Deze CGW is uitsluitend van belang voor dit toetsingskader van het CMP en is niet relevant voor andere toetsingskaders voor ZZS of voor het wel of niet van toepassing zijn van wetten en regels rond ZZS zoals bijvoorbeeld de regels rond emissies en lozing uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
| ZZS algemeen | CAS of EG nummer | Algemene CGW |
|---|---|---|
|
ZZS is carcinogeen of mutageen (categorie 1A/B) |
Divers |
0,1% |
|
ZZS is een PBT, zPzB of van stof van gelijkwaardigezorg |
Divers |
0,1% |
|
ZZS is reprotoxisch (categorie 1A/B) |
Divers |
0,3% |
|
Specifiek ZZS |
CAS of EG nummer |
Specifieke CGW |
|
Dimethylcarbamoyl chloride |
79-44-7 |
0,001 % |
|
1,2-dimethylhydrazine |
540-73-8 |
0,01 % |
|
Hexamethylphosphoric triamide; Hexamethylphosphoramide |
680-31-9 |
0,01 % |
|
Indium phosphide |
22398-80-7 |
0,01 % |
|
Dimethyl sulphate |
77-78-1 |
0,01 % |
|
1,3-propanesultone; 1,2-oxathiolane 2,2-dioxide |
1120-71-4 |
0,01 % |
|
Cobalt dichloride |
7646-79-9 |
0,01 % |
|
Cobalt sulfate |
10124-43-3 |
0,01 % |
|
Cobalt di(acetate) |
71-48-7 |
0,01 % |
|
Cobalt dinitrate |
10141-05-6 |
0,01 % |
|
Cobalt carbonate |
513-79-1 |
0,01 % |
|
Cadmium fluoride |
7790-79-6 |
0,01 % |
|
Cadmium chloride |
10108-64-2 |
0,01 % |
|
Cadmium sulphate |
10124-36-4 |
0,01 % |
|
Cadmium nitrate; cadmium dinitrate |
10325-94-7 |
0,01 % |
|
Dichlorodioctylstannane |
3542-36-7 |
0,03 % |
|
Lead powder; [particle diameter < 1 mm] |
7439-92-1 |
0,03% |
|
Benzo[a]pyrene; benzo[def]chrysene |
50-32-8 |
0,01 % |
|
Dibenz[a,h]anthracene |
53-70-3 |
0,01 % |
|
dibenzo[def,p]chrysene; dibenzo[a,l]pyrene* |
191-30-0 |
0,001 % |
|
1,4-dichlorobut-2-ene |
764-41-0 |
0,01 % |
|
Bis(chloromethyl) ether; oxybis(chloromethane) |
542-88-1 |
0,001% |
|
Chlorophacinone |
3691-35-8 |
0,003% |
|
Warfarin |
81-81-2 5543-57-7 5543-58-8 |
0,003% |
|
Coumatetralyl |
5836-29-3 |
0,003% |
|
Difenacoum |
56073-07-5 |
0,003% |
|
Brodifacoum |
56073-10-0 |
0,003% |
|
Flocoumafen |
90035-08-8 |
0,003% |
|
Bromadiolone |
28772-56-7 |
0,003% |
|
Difethialone |
104653-34-1 |
0,003% |
|
2-naphthylamine |
91-59-8 |
0,01 % |
|
Benzidine; 1,1'-biphenyl-4,4'-diamine; 4,4'-diaminobiphenyl; biphenyl-4,4'-ylenediamine |
92-87-5 |
0,01 % |
|
Dimethylnitrosoamine; N-nitrosodimethylamine |
62-75-9 |
0,001 % |
|
1-methyl-3-nitro-1-nitrosoguanidine |
70-25-7 |
0,01 % |
|
Nitrosodipropylamine |
621-64-7 |
0,001 % |
|
2-methylaziridine; propyleneimine |
75-55-8 |
0,01 % |
|
1-vinylimidazole |
1072-63-5 |
0,03 % |
De CGW zijn gebaseerd op het advies van het RIVM in het rapport ‘Concentratiegrenswaarden voor ZZS in afval – update 2023’. Het zijn de concentraties waarboven Verordening nr. 1272/2008 voor de classificatie, etikettering en verpakking van stoffen (bekend als ‘CLP-verordening’) het materiaal waar de ZZS in zit als ‘gevaarlijke stof’ aanmerkt. Voor de meeste ZZS is deze grenswaarde 0,1% (gram/gram). In geval van ZZS met alleen de gevaareigenschap ‘reprotoxisch’ (schadelijk voor de voortplanting) is de grenswaarde 0,3%.
Bij het bepalen of een grenswaarde wordt overschreden moet rekening worden gehouden met het volgende:
- Concentraties van verschillende ZZS worden niet bij elkaar opgeteld. Er wordt per aanwezige ZZS bezien of de grenswaarde van tabel 1 wordt overschreden.
- Het kan zijn dat in een afvalstof meerdere ZZS boven de CGW aanwezig zijn. In dat geval wordt voor al die ZZS dit toetsingskader apart doorlopen.
Cumulatie van ZZS
RIVM heeft in het rapport ‘Concentratiegrenswaarde voor ZZS in afval – update 2023’, Briefrapport 2023-0431, een beschouwing gegeven over cumulatie van ZZS. Vanwege de diverse beperkingen en tekortkomingen van beschikbare methoden voor het meenemen van cumulatie beveelt RIVM aan om de ontwikkelingen op het gebied van cumulatie te volgen en nu nog geen werkwijze vast te leggen in het CMP. Hieronder zijn de afwegingen kort weergegeven.
Cumulatie van ZZS kan zich op verschillende manieren voordoen:
- als meerdere ZZS die afzonderlijk onder de concentratiegrenswaarde aanwezig zijn in het afval, maar opgeteld erboven komen;
- als meerdere ZZS onder en boven de concentratiegrenswaarde voorkomen in het afval;
- als ZZS en niet-ZZS stoffen met een vergelijkbaar werkingsmechanisme aanwezig zijn in het afval, waardoor het gehele mengsel tot risico’s kan leiden.
RIVM geeft aan dat er verschillende methoden zijn om cumulatie in een risicobeoordeling mee te wegen. Een van deze methoden is de sommatie-bepaling, maar hiervoor zullen verschillende stofklassen samengesteld moeten worden en zal de toetswaarde (nu de concentratiegrenswaarde) moeten worden herzien. Het gebruik van een Mixture Assessment Factor (MAF) is in theorie ook mogelijk, maar zeer waarschijnlijk ontbreken de gegevens die nodig zijn voor het onderbouwen van de waarde van een MAF.
4.3 Toetsingskader verwijderen van afvalstoffen met ZZS
Het verwijderen van afvalstoffen die POP’s bevatten is doelmatig als de verwerking in overeenstemming is met bijlage V van de POP-verordening.
Als een bedrijf een vergunning aanvraagt voor in zijn geheel verwijderen van een afvalstof die andere ZZS dan POP’s bevat, beoordeelt het bevoegd gezag deze verwerking aan de hand van onderstaand toetsingskader.
Voor de meeste afvalstoffen is de minimumstandaard recycling of een andere vorm van nuttige toepassing. Het integraal verwijderen van de gehele afvalstof (storten, verbranden of een andere vorm van verwijderen) voldoet dan in beginsel niet aan de minimumstandaard. Toch kan dit in de volgende gevallen doelmatig zijn:
- Het is vanwege de ZZS niet mogelijk om de afvalstof nuttig toe te passen in verwerkingsfaciliteiten die bereikbaar (of in oprichting) zijn, én
- het is niet mogelijk om de ZZS uit de afvalstof af te scheiden of de ZZS om te zetten tot niet-schadelijke stoffen, én
- de gekozen wijze van verwijderen van de afvalstof is voor de betreffende afvalstof de meest hoogwaardige wijze, gelet op de Afvalhiërarchie van onderwerp ‘Instrumenten voor sturing’.
Als de minimumstandaard een vorm van nuttige toepassing is, moet het bedrijf dat een vergunning aanvraagt voor het verwijderen van de afvalstof aantonen dat nuttige toepassing niet mogelijk is. Hiervoor onderzoekt het bedrijf of elders verwerkingsfaciliteiten commercieel beschikbaar (of in oprichting) en bereikbaar zijn die:
- de afvalstof nuttig kunnen toepassen of,
- die de ZZS uit de afvalstof kunnen afscheiden.
Een verwerkingsfaciliteit is bereikbaar als deze in Nederland ligt. Bij verwerkingsfaciliteiten die alleen in het buitenland liggen, moet die buitenlandse verwerker betrokken worden in de beoordeling. Indien de minimumstandaard nuttige toepassing is en het bedrijf heeft het voorgaande onderbouwd in de vergunningaanvraag, dan is in die situatie geen sprake van een afwijking van de minimumstandaard.
5. Toekomstplannen
Het beleid en de kennis over circulaire economie is in ontwikkeling. Nieuwe beleidsintenties, wijzigingen van bestaand beleid of wijzigingen in wet- en regelgeving kunnen allemaal leiden tot aanpassing van het CMP. Het CMP wordt daarom regelmatig geactualiseerd.
ZZS in afval is een vrij recent onderwerp dat nog sterk in ontwikkeling is. Zowel in de EU als in Nederland komt er steeds meer aandacht voor ZZS en ook overige zorgstoffen in de leefomgeving. Dit maakt dat de behandeling van dit onderwerp in het CMP een momentopname is van wat er op dit moment speelt en wat op dit moment de verwachtingen zijn. Het is dan ook lastig om aan te geven hoe dit onderwerp zich verder gaat ontwikkelen en wat dit voor het CMP gaat betekenen. Dat geldt ook voor de kennis over risico’s van blootstelling aan ZZS. Komende jaren kan bijvoorbeeld een methode vastgesteld worden voor het beoordelen van cumulatieve effecten van blootstelling aan meerdere ZZS. Dat kan tot aanpassingen in dit onderwerp leiden.
Er loopt een aantal projecten die mogelijk kunnen leiden tot aanpassing of aanvulling van het CMP. In de EU is een REACH-restrictie in voorbereiding voor PFAS en wordt ook beleid ontwikkeld voor andere persistente ZZS. Dit kan gevolgen hebben voor de nuttige toepassing van afvalstoffen. Enerzijds zullen minder producten op de markt worden gebracht waar deze ZZS in voorkomen, waardoor hun aanwezigheid ook in afvalstoffen zal afnemen. Anderzijds zal het recyclen van afval waarin dergelijke ZZS nog voorkomen moeilijker worden of onmogelijk, als in de EU-wetgeving maximaal toegestane gehalten voor een ZZS worden vastgesteld die door gerecycled materiaal worden overschreden.
Wat betreft informatievergaring over ZZS in afval is een impuls te verwachten van de opstelling van vermijdings- en reductieprogramma’s door afvalbedrijven (verplichting onder het Bal) en van de aanpassing van het Besluit melden die per 1 juli 2025 in werking is getreden en waaraan gerefereerd wordt in paragraaf 3.3.2 Verstrekken van informatie aan afvalverwerkers. Waar nodig en mogelijk wordt het CMP uitgebreid met nieuw beschikbaar komende informatie.
Ook is ondertussen de ZZS in afval zoeker door het RIVM ontwikkeld en beschikbaar. Deze databank bevat naar analogie met de ZZS-navigator van het RIVM voor ZZS bij emissies en lozingen, informatie over de ZZS die in de diverse afvalstoffen aangetroffen kunnen worden. De basis voor deze ZZS in afval zoeker is het rapport ZZS in afvalstoffen – update 2019 (SGS Intron 2019) aangevuld met informatie uit het Briefrapport ZZS in de ketenplannen (RIVM).
Meer informatie over de ontwikkeling van het CMP en hoe stakeholders daarbij worden betrokken leest u in het Wat is het CMP.
6. Hulpmiddelen en meer informatie
Onderstaande websites en documenten bevatten informatie die nuttig kan zijn:
FAQ’s over ZZS
Op de website van het CMP zijn FAQ’s beschikbaar voor de volgende onderwerpen:
- FAQ ZZS in afvalstoffen met veel gestelde vragen over ZZS bij vergunningverlening.
- FAQ Besluit melden over de informatieplicht in dat besluit. Ook de Handreiking voor de uitvoering van de informatieverplichting over ZZS in afvalstoffen in het Besluit melden is bij die FAQ’s te vinden.
Handreiking afvalstof of niet-afvalstof
Ter ondersteuning van bedrijven en bevoegde gezag bij afvalstof of niet-afvalstof beoordelingen heeft het ministerie de Handreiking afvalstof of niet-afvalstof opgesteld. In deze handreiking zit ook de risicoanalyse afvalstatusbeoordeling die noodzakelijk is voor het beoordelen van risico’s in geval dat niet-genormeerde ZZS en zorgstoffen in producten of materialen aanwezig zijn.
ZZS in afval zoeker
Sinds maart 2025 onderhoudt het RIVM de ZZS in afval zoeker. Hierin is per afvalstof een overzicht opgenomen van ZZS die, afhankelijk van de herkomst of precieze samenstelling van het afval, in de afvalstof aanwezig kunnen zijn.
Informatiepunt Leefomgeving
De pagina zeer zorgwekkende stoffen op de website van het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) geeft een overzicht van de wetgeving over zeer zorgwekkende stoffen in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving.
Bronnen en achtergronddocumenten
- RIVM (2024). Notitie Zorgstoffen in afvalstromen
- RIVM (2023). Concentratiegrenswaarde voor ZZS in afval – update 2023
- SGS Intron (2019). ZZS in afvalstoffen – update 2019
- RIVM (2020). Omgaan met zeer zorgwekkende stoffen in een circulaire economie
- Ministerie van IenW (2025). Handreiking voor de uitvoering van de informatieverplichting over ZZS in afvalstoffen in het Besluit melden.
Verwijdering
Elke handeling met afvalstoffen die geen nuttige toepassing is, zelfs indien de handeling er in tweede instantie toe leidt dat stoffen of energie worden teruggewonnen. Hiertoe behoren in ieder geval de handelingen die zijn genoemd in bijlage I bij de Kaderrichtlijn afvalstoffen (2008/98/EG).
Artikel 1.1 lid 1 Wet milieubeheer
Nuttige toepassing
Elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie, andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt tot welke handelingen in ieder geval behoren handelingen die zijn genoemd in bijlage II bij de Kaderrichtlijn afvalstoffen.
Artikel 1.1 lid 1 Wet milieubeheer
Onder dit begrip vallen de volgende treden van de afvalhiërarchie: voorbereiden voor hergebruik, recycling en andere nuttige toepassing. Bij nuttige toepassing moeten de afvalstoffen, gelet op het arrest Edilizia van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU van 28 juli 2016, C-147/15, Città Metropolitana di Bari v Edilizia Mastrodonato Srl, ECLI:EU:C:2016:606), volgens de meest recente wetenschappelijke en technische kennis geschikt te zijn voor het vervangen van primaire materialen. Zie de Leidraad indelen verwerkingshandelingen (pdf, 1.7 MB) voor meer informatie.
Hergebruik
Elke handeling waarbij producten of componenten die geen afvalstoffen zijn, opnieuw worden gebruikt voor hetzelfde doel als dat waarvoor zij waren bedoeld.
Artikel 1.1 lid 1 Wet milieubeheer
Hergebruik is een vorm van voortgezet gebruik.
Productpaspoort
Gegevensreeks die bij een product hoort, die informatie bevat die is gespecificeerd in de gedelegeerde handeling volgend uit de Ecodesign verordening (Verordening (EU) 2024/1781), en elektronisch toegankelijk is via een gegevensdrager.
Artikel 2 lid 28 Ecodesign verordening
Eural
De Eural is de Europese afvalstoffenlijst. In deze afvalstoffenlijst benoemt de Europese Commissie specifieke afvalstoffen. Alle afvalstoffen vallen onder een van de codes van de Eural (Euralcode). De lijst geeft ook aan welke afvalstof gevaarlijk is of niet.
Wijziging Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
Besluit van 11 april 2024 tot wijziging van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen in verband met het toevoegen van informatie over zeer zorgwekkende stoffen aan de omschrijving van aard, eigenschappen en samenstelling van afvalstoffen en tot wijziging van twee andere besluiten.
Milieubelastende activiteit
Een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit.
Bijlage A Omgevingswet
Zie Dit is een milieubelastende activiteit op de IPLO-website voor meer informatie bij dit begrip.
Doelmatig beheer van afvalstoffen
Zodanig beheer van afvalstoffen dat daarbij rekening wordt gehouden met het geldende Circulair Materialenplan, dan wel de voor de vaststelling van het plan geldende bepalingen, dan wel de voorkeursvolgorde aangegeven in artikel 10.4, en de criteria, genoemd in artikel 10.5 Wet milieubeheer.
Artikel 1.1 lid 1 Wet milieubeheer
Verwijdering
Elke handeling met afvalstoffen die geen nuttige toepassing is, zelfs indien de handeling er in tweede instantie toe leidt dat stoffen of energie worden teruggewonnen. Hiertoe behoren in ieder geval de handelingen die zijn genoemd in bijlage I bij de Kaderrichtlijn afvalstoffen (2008/98/EG).
Artikel 1.1 lid 1 Wet milieubeheer
Nuttige toepassing
Elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie, andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt tot welke handelingen in ieder geval behoren handelingen die zijn genoemd in bijlage II bij de Kaderrichtlijn afvalstoffen.
Artikel 1.1 lid 1 Wet milieubeheer
Onder dit begrip vallen de volgende treden van de afvalhiërarchie: voorbereiden voor hergebruik, recycling en andere nuttige toepassing. Bij nuttige toepassing moeten de afvalstoffen, gelet op het arrest Edilizia van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU van 28 juli 2016, C-147/15, Città Metropolitana di Bari v Edilizia Mastrodonato Srl, ECLI:EU:C:2016:606), volgens de meest recente wetenschappelijke en technische kennis geschikt te zijn voor het vervangen van primaire materialen. Zie de Leidraad indelen verwerkingshandelingen voor meer informatie.
Hergebruik
Elke handeling waarbij producten of componenten die geen afvalstoffen zijn, opnieuw worden gebruikt voor hetzelfde doel als dat waarvoor zij waren bedoeld.
Artikel 1.1 lid 1 Wet milieubeheer
Hergebruik is een vorm van voortgezet gebruik.
Productpaspoort
Gegevensreeks die bij een product hoort, die informatie bevat die is gespecificeerd in de gedelegeerde handeling volgend uit de Ecodesign verordening (Verordening (EU) 2024/1781), en elektronisch toegankelijk is via een gegevensdrager.
Artikel 2 lid 28 Ecodesign verordening
Eural
De Eural is de Europese afvalstoffenlijst. In deze afvalstoffenlijst benoemt de Europese Commissie specifieke afvalstoffen. Alle afvalstoffen vallen onder een van de codes van de Eural (Euralcode). De lijst geeft ook aan welke afvalstof gevaarlijk is of niet.
Wijziging Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
Besluit van 11 april 2024 tot wijziging van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen in verband met het toevoegen van informatie over zeer zorgwekkende stoffen aan de omschrijving van aard, eigenschappen en samenstelling van afvalstoffen en tot wijziging van twee andere besluiten.
Milieubelastende activiteit
Een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit.
Bijlage A Omgevingswet
Zie Dit is een milieubelastende activiteit op de IPLO-website voor meer informatie bij dit begrip.
Doelmatig beheer van afvalstoffen
Zodanig beheer van afvalstoffen dat daarbij rekening wordt gehouden met het geldende Circulair Materialenplan, dan wel de voor de vaststelling van het plan geldende bepalingen, dan wel de voorkeursvolgorde aangegeven in artikel 10.4, en de criteria, genoemd in artikel 10.5 Wet milieubeheer.
Artikel 1.1 lid 1 Wet milieubeheer
Afvalhiërarchie
De afvalhiërarchie wordt als prioriteitsvolgorde gehanteerd bij het opstellen van wetgeving en beleidsinitiatieven voor de preventie en het beheer van afvalstoffen. De afvalhiërarchie is de hoeksteen van het beleid en de wetgeving van de Europese Unie (EU) op het gebied van afval, en is vastgelegd in de Kaderrichtlijn afvalstoffen (2008/98/EG). Het doel van de afvalhiërarchie is tweeledig:
- de negatieve gevolgen van de productie en het beheer van afvalstoffen tot een minimum beperken, en
- de hulpbronnenefficiëntie verbeteren.
Zie paragraaf 3.3 van Instrumenten voor sturing voor uitleg hoe de afvalhiërarchie in het CMP wordt toegepast.
Voorbereiding voor hergebruik
Nuttige toepassing bestaande uit controleren, schoonmaken of repareren, waarbij producten of componenten van producten, die afvalstoffen zijn geworden, worden klaargemaakt zodat ze zullen worden hergebruikt zonder dat verdere voorbehandeling nodig is.
Artikel 1.1 lid 1 Wet milieubeheer
Recycling
Nuttige toepassing waardoor afvalstoffen opnieuw worden bewerkt tot producten, materialen of stoffen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel, met inbegrip van het opnieuw bewerken van organische afvalstoffen, en met uitsluiting van energieterugwinning en het opnieuw bewerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal.
Artikel 1.1 lid 1 Wet milieubeheer
Het CMP spreekt van het ‘verwerken’ van afvalstoffen en niet van het ‘bewerken’ van afvalstoffen. Omdat de definitie van recycling letterlijk is ontleend aan de Kra en de Wm, is ervoor gekozen om in tegenstelling tot de rest van het CMP hier ‘bewerken’ als begrip te behouden, maar wordt ook hier ‘verwerken’ bedoeld.
Andere nuttige toepassing
Nuttige toepassing niet zijnde voorbereiding voor hergebruik of recycling. Voorbeelden (niet limitatief en niet in hiërarchische volgorde) zijn:
- hoofdgebruik als brandstof;
- het verwerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof;
- opvulling volgens de definitie in de Kra;
- stabiliseren van ondergrondse ruimten d.m.v. vullen met afvalstoffen; de voorwaarden wanneer sprake is van ‘nuttige toepassing’ in plaats van storten zijn beschreven in Storten of nuttig toepassen;
- directe inzet van een afvalstof als reductiemiddel in hoogovens mits inzet van primair materiaal voor die toepassing wordt vermeden;
- directe inzet van een afvalstof als flocculatiemiddel of als DeNOx-middel mits inzet van primair materiaal voor die toepassing wordt vermeden;
- detoneren mits inzet van andere explosieven wordt vermeden - komt voor in mijnbouw;
- etc.
Essentieel om te spreken van 'recycling' is de voorwaarde dat sprake is van een bewerking en dat die bewerking leidt tot een materiaal dat beschikbaar blijft voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel. Daarom vallen toepassingen waarbij het materiaal direct (zonder bewerking) kan worden toegepast en gedurende de toepassing wordt verbruikt niet onder recycling maar wel onder andere nuttige toepassing.
Voortgezet gebruik
Het gebruik, hergebruik of op een andere manier gebruiken van materialen die niet-afvalstoffen zijn. Zie paragraaf 4.7 Voortgezet gebruik van 'Afvalstof of niet-afvalstof' voor meer uitleg bij dit begrip.