Ga naar de inhoud
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
  • Home
  • Over het CMP
  • Onderwerpen
  • Materialen
  • Doelgroepen
  1. Home ›
  2. Veelgestelde vragen

Veelgestelde vragen


Hier vindt u vragen en antwoorden over het CMP in het algemeen en over enkele specifieke onderwerpen in het bijzonder.

Veelgestelde vragen over het CMP

Hoe kan ik op de hoogte blijven van het CMP?

Voor wijzigingen van de toetsingskaders van het CMP wordt altijd een wettelijke inspraakprocedure doorlopen. Zie ook de vraag over wijzigen van het CMP. Dit wordt bekend gemaakt via platformparticipatie.nl. Het gewijzigde CMP wordt gepubliceerd in de Staatscourant. Het ministerie informeert hierbij ook de andere bestuursorganen.

Nieuws over het CMP wordt gepubliceerd op de website van het CMP en op de website van het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE). De nieuwsberichten worden ook opgenomen in de nieuwsbrief van Informatiepunt Leefomgeving (IPLO), de nieuwsbrief van het programma CE in de regio en in de nieuwsbrief over het thema circulaire economie van Omgevingsdienst NL.

Wat is het verschil tussen het LAP3 en CMP?

Het zwaartepunt van het LAP lag bij goed afvalbeheer en beschreef met name de verwerking van materialen in de afvalfase. Met het CMP wordt meer aandacht geschonken aan de fasen voordat een materiaal afval wordt, denk aan het ontwerp, de productie en het (her)gebruik van materialen en producten.

Het CMP bevat nieuwe onderdelen ten opzichte van LAP3, zoals over grondstoffengebruik en afvalpreventie en de ketenplannen. Daarnaast zijn er ook wijzigingen in bestaande onderwerpen, bijvoorbeeld voor het mengen van afvalstoffen en de inzet van AVI-bodemas. Bekijk hiervoor de pagina Wat verandert er met het CMP?

Daarnaast geldt een nieuwe wettelijke verplichting als een bestuursorgaan afwijkt van de toetsingskaders van het CMP. Deze wettelijke informatieverplichting – ook wel verstrekkingsverplichting genoemd – is nieuw ten opzichte van de procedure die moest worden gevolgd om af te wijken van het LAP. Lees meer hierover in het onderwerp Afwijken.

Wat is de rol van het CMP in het circulaire economie beleid?

Het Nederlandse beleid staat in het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE). Hierin staan de nationale doelen en de maatregelen die Nederland neemt om in 2050 circulair te zijn. De rijksoverheid zet hiervoor in op een mix van beprijzende, stimulerende en normerende maatregelen.

Het CMP is onderdeel van de normerende maatregelen, namelijk bij de uitvoering van wetgeving. Het CMP voorziet bedrijven en overheden van praktische kennis over de uitvoering van wetgeving en over circulaire economie. Waar nodig geeft het concrete toetsingskaders voor het nemen van besluiten. Bevoegde gezagen moeten op grond van de Wet milieubeheer (Wm) rekening houden met deze toetsingskaders in het CMP als deze betrekking hebben op afvalstoffen. Het CMP fungeert zo als de schakel tussen beleid en uitvoeringspraktijk.

Lees meer in Wat is het CMP?

Hoe worden stakeholders betrokken bij het CMP?

Om het CMP verder te ontwikkelen is het onontbeerlijk om signalen, ervaren knelpunten en aangedragen verbetersuggesties uit de praktijk te verzamelen. De gebruikers van het CMP, in de breedste zin van het woord, hebben via diverse kanalen de mogelijkheid om bij te dragen aan deze ontwikkeling. Dit zijn:

  • Helpdesk
  • Afwijkingen CMP via formulier op website
  • Overleggen met bevoegd gezag
  • Overleggen met bedrijfsleven
  • Nationale Conferentie Circulaire Economie
  • Openbare inspraakprocedure bij wijzigingen

Lees meer in Wat is het CMP?

Is het CMP wetgeving?

Nee, het CMP is geen wetgeving. Het speelt een belangrijke rol in de toepassing van wet- en regelgeving. Wet- en regelgeving bepaalt wat wel of niet is toegestaan en onder welke voorwaarden. Het CMP geeft waar nodig een toelichting op deze wet- en regelgeving. In sommige gevallen biedt het CMP ook kaders om bepaalde wetgeving verder in te vullen. Sommige wet- en regelgeving geldt direct, maar het kan voorkomen dat medeoverheden eerst een afweging moeten maken. Bijvoorbeeld via een vergunning. Het CMP voorziet bevoegde gezagen in die gevallen van concrete toetsingskaders voor het nemen van de besluiten.

In de Wet milieubeheer (Wm) is vastgelegd dat bevoegde gezagen verplicht rekening moeten houden met het CMP wanneer zij besluiten nemen over afvalstoffen. Daarnaast hebben decentrale overheden bevoegdheden om regels op te stellen, bijvoorbeeld in het omgevingsplan of de afvalstoffenverordening. Ook bij het opstellen van die regels moeten zij rekening houden met het CMP voor zover die regels betrekking hebben op het beheer van afvalstoffen.

Veelgestelde vragen over werken met het CMP

Waar vind ik het CMP?

U vindt het CMP op deze website op de pagina's onder Onderwerpen en Materialen. Dit vervangt het Beleidskader en de Sectorplannen van het LAP.

Hoe weet ik wat er is veranderd ten opzichte van LAP3?

Het CMP bevat nieuwe onderdelen ten opzichte van LAP3, zoals over grondstoffengebruik en afvalpreventie en de ketenplannen. Daarnaast zijn er ook wijzigingen in bestaande onderwerpen, bijvoorbeeld voor het mengen van afvalstoffen en de inzet van AVI-bodemas. Op de pagina Wat verandert er met het CMP? leest u hier meer over. Daar vindt u ook het Was-wordt overzicht LAP3-CMP. Daarin is per onderdeel van het CMP te zien wat er is gewijzigd ten opzichte van LAP3.
Daarnaast geldt een nieuwe wettelijke verplichting als een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit afwijkt van de toetsingskaders van het CMP. Deze wettelijke informatieverplichting – ook wel verstrekkingsverplichting genoemd – is nieuw. Het CMP kent net als het LAP een procedure voor het melden van afwijken. Omdat het CMP een harmoniserend instrument is voor het nemen van besluiten, is het wenselijk dat bestuursorganen terughoudend omgaan met het nemen van besluiten in afwijking van het CMP. Lees meer hierover in het onderwerp Afwijken.

Hoe weet ik welke stukken van het CMP ik moet gebruiken?

U heeft meestal een combinatie van een onderwerp en materialen nodig. Als introductie geven we voor de mensen die er het meest mee werken de meest relevante stukken van het CMP. Dit vindt u op de pagina Doelgroepen, bijvoorbeeld voor vergunningverleners of voor producenten.

Hoe verwijs ik naar het CMP?

In vergunningen of andere besluiten verwijst het bevoegd gezag vaak naar het CMP. U toetst aan en verwijst naar de toetsingskaders in het CMP. Dat doet u op de volgende manier: ‘circulairmaterialenplan.nl [naam van onderwerp, keten/afvalplan of leidraad] paragraaf [titel van paragraaf]’.
De toetsingskaders worden altijd alleen via een wettelijke inspraakprocedure aangepast. Zie ook de veelgestelde vraag over het wijzigen van het CMP.

Wat zijn consequenties van het CMP voor verleende vergunningen?

Wanneer toetsingskaders zijn veranderd kan het zijn dat vergunningen moeten worden geactualiseerd. Hiervoor geldt een wettelijke actualisatieplicht. Informatie hierover staat in paragraaf 1.2.1 Omgevingsvergunning milieu van onderdeel ‘Over de toetsingskaders’ van het CMP.
In het ‘Was-wordt overzicht LAP3-CMP’ staat wat er per onderdeel is gewijzigd ten opzichte van LAP3. Zie op de pagina: Wat verandert er met het CMP?

Moeten aanvragen ingediend voor 30-12-2025 worden getoetst aan het CMP?

Er geldt geen overgangsrecht voor het CMP. Dat betekent dat het CMP direct geldt vanaf de inwerkingtreding op 30 december 2025. Vanaf dan moet het CMP worden gebruikt voor besluiten zoals vergunningen. Ook als de vergunningaanvraag voor 30 december was en de vergunning na die datum wordt verleend. Er kunnen wel overgangstermijnen gelden in specifieke toetsingskaders. Meer uitleg daarover staat bij de volgende vraag.

Gelden er overgangstermijnen in het CMP?

Er geldt geen overgangsrecht voor het CMP, maar er kunnen wel overgangstermijnen bepaald worden in het CMP. Als u op de website rechtsboven zoekt op ‘overgangstermijn’ ziet u dat daarover uitleg te vinden is bij ‘Over de toetsingskaders’ en bij het onderwerp ‘Minimumstandaard voor verwerking’. Ook ziet u bij welke onderdelen van het CMP een overgangstermijn geldt.

Bij de ingang van het CMP op 30 december 2025 is voor een deel van de minimumstandaarden van AVI-bodemas een overgangstermijn van 2 jaar opgenomen. Dat zijn de enige overgangstermijn bij de minimumstandaarden. Daarnaast geldt voor stortplaatsen een overgangstermijn van 2 jaar voor het afbouwen van voorraadcapaciteit.

Hoe weet ik wanneer het CMP is gewijzigd?

Het CMP zoals het nu op de website staat onder Onderwerpen en Materialen, is het CMP zoals dat geldt vanaf 30 december 2025. Als er inhoudelijke aanpassingen zijn, dan wordt dit onderaan dat onderdeel aangegeven onder een apart kopje ‘Wijzigingen’. Hierbij geldt:

  • Toetsingskaders van het CMP werken door naar bijvoorbeeld vergunningen of decentrale regels. Wijzigingen in toetsingskaders worden altijd via een wettelijke inspraakprocedure en officiële bekendmaking vastgesteld. Lees meer in Over de toetsingskaders.
  • Wijzigingen in andere teksten van het CMP, zoals de toelichting op beleid en wetgeving of de toekomstplannen, worden gedaan op vaste momenten in het jaar, namelijk op 1 april en op 1 oktober.

Onderaan elke onderdeel van het CMP is dus te zien wat er is gewijzigd en wanneer. Op de website van het CMP kan in het Webarchief altijd teruggekeken worden wat er op een bepaalde datum in het CMP stond. Zie voor meer informatie Archief Circulair Materialenplan.

Is er een PDF van het gehele CMP?

Nee, het CMP is in zijn geheel te vinden op de pagina’s onder Onderwerpen en Materialen. Op die manier is het CMP goed te doorzoeken en kan direct verwezen worden naar relevante paragrafen. Alleen enkele uitgebreide leidraden en handreikingen over specifieke thema’s zijn als aparte documenten beschikbaar.

Waar vind ik de leidraden en handreikingen van het CMP?

Het CMP geeft voor een aantal specifieke onderwerpen leidraden, handreikingen of andere hulpmiddelen in aparte documenten. Waar deze gebruikt moeten worden, vindt u een link naar de download bij de betreffende onderwerpen en materialen. De documenten zijn ook te vinden in de Bibliotheek op de CMP website (zie onderaan elke pagina, onder Direct naar).

Veelgestelde vragen over de inspraakprocedure en ingediende zienswijzen

Wat is er met de zienswijzen of inspraak gedaan?

De zienswijzen (ook wel inspraakreacties) zijn door het ministerie van IenW gebundeld en beoordeeld. Alle zienswijzen zijn bekeken op de mogelijkheid om het CMP te verbeteren. In de reactienota is aangegeven welke zienswijzen leiden tot aanpassing van de toetsingskaders van het CMP en hoe hier invulling aan wordt gegeven. Als de zienswijze niet heeft geleid tot aanpassing van het CMP, dan staat hier ook waarom dat zo is. Alle aanpassingen zijn in het definitieve CMP verwerkt.

Op de pagina Wat verandert er met het CMP? kunt u de reactienota vinden en  een overzicht van de veranderingen van LAP3 naar CMP.

Waar vind ik de reactie op mijn ingediende zienswijzen?

De ingebrachte zienswijzen (ook wel inspraakreacties genoemd) zijn van een reactie voorzien in de bijlage bij de reactienota (pdf, 15 MB).

Hoe vind ik snel mijn zienswijzen terug?

In de bijlage van de reactienota (pdf, 15 MB) staat een lijst met alle insprekers die een zienswijze hebben ingediend. Ieder heeft een nummer gekregen. Met uw nummer vindt u via zoeken in het bestand snel al uw zienswijzen en de reactie van het ministerie.

Veelgestelde vragen over het scheiden van bedrijfsafval

Waarom moet een bedrijf of organisatie afval scheiden?

Bedrijven en organisaties moeten hun afval scheiden, zodat het op de juiste manier verwerkt kan worden. Hoe afval verwerkt moet worden staat in het CMP. We willen dat zoveel mogelijk afval gerecycled wordt. Soms moet afval vanwege de eigenschappen juist gestort worden, zoals asbest. In beide gevallen moet het afval gescheiden worden.

Hoe weet ik welk afval een bedrijf moet scheiden?

Samen met de Kamer van Koophandel en Ondernemersplein heeft Rijkswaterstaat de tool Afvalwijzer voor bedrijven ontwikkeld. Hiermee kunt u als bedrijf bepalen welk afval u moeten scheiden.

Voor wie geldt de wetgeving?

De regels over het gescheiden houden van afval gelden voor alle bedrijven die afval produceren. De regels voor bedrijfsafval staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

Waar vind ik de relevante wet- en regelgeving?

De regels staan in artikel 3.39 lid 1 sub e van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De categorieën van afvalstoffen staan in Bijlage II van het Bal. Dit zijn meer dan honderd afvalcategorieën. Ongeveer de helft is niet-gevaarlijk bedrijfsafval.

De uitwerking van de wettelijke regels staan in Gescheiden houden bedrijfsafval en gevaarlijk afval in het CMP. Hierin is voor alle afvalstoffencategorieën bepaald wanneer het gescheiden houden gevergd wordt. De regels in het CMP zijn zo opgesteld dat ze voor alle bedrijven en situaties gelden.

Wil een bedrijf toch categorieën bedrijfsafval samenvoegen met andere categorieën afval of met andere stoffen dan afvalstoffen? Dan is een vergunning vereist en is er sprake van afwijken van het CMP.

In Mengen van afvalstoffen van het CMP staan de voorwaarden  waaronder mengen door het bevoegd gezag kan worden vergund. Zie Afwijken voor de voorwaarden voor afwijken van het CMP.

Hoe kan ik naar bedrijven communiceren over de verplichtingen voor afvalscheiding?

Gebruik voor communicatie het stappenplan en de online tool Afvalwijzer voor bedrijven op ondernemersplein.kvk.nl.

In mijn uitslag staat dat het afval uit meerdere soorten bestaat, wat betekent dat?

In de Afvalwijzer voor bedrijven zijn de zogenaamde afvalstoffencategorieën vereenvoudigd weergegeven. De exacte omschrijvingen van de categorieën staan in Bijlage II van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

Voor sommige soorten afval zijn er meerdere categorieën in de wet. Deze moet u van elkaar gescheiden houden. In de uitslag van de Afvalwijzer staat dit aangegeven.

Voor productieafval geldt: verschillende soorten productieafval altijd van elkaar gescheiden houden en gescheiden afvoeren voor verwerking.

Daarnaast zijn er meerdere afvalsoorten van asfalt, grond en bagger, steenachtig materiaal, afvalwaterstromen en baden, reststoffen van drinkwaterbereiding en energiecentrales, asbesthoudend afval en kwikhoudend afval. U moet voor deze afvalsoorten in bijlage II Bal bekijken welke verschillende categorieën voor u van toepassing zijn.

Wat valt er onder de verschillende soorten afval?

De afvalstoffencategorieën zijn in de Afvalwijzer voor bedrijven  vereenvoudigd weergegeven. De exacte omschrijvingen van de categorieën die gescheiden moeten worden staan in Bijlage II van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).   Zie ook Gescheiden houden bedrijfsafval en gevaarlijk afval in CMP.

Wilt u weten wat er wel of niet bij een bepaald soort afval mag? Vraag dat aan uw afvalinzamelaar. Die kan vaak een handig overzicht geven, dat u boven de container kunt hangen.

Wat wordt verstaan onder 'dagelijks', 'wekelijks' en 'maandelijks'?

Met dagelijks wordt bedoeld dat het afval gewoonlijk elke werkdag ontstaat. Het kan voorkomen dat het een dag niet gebeurt, maar als dat een uitzondering is dan valt die situatie ook onder dagelijks. Het betekent dat het afval vrijkomt bij dagelijkse (bedrijfs)activiteiten.

Wekelijks of maandelijks betekent op dezelfde manier dat het afval minimaal één keer per week of minimaal één keer per maand ontstaat. Het gaat hier kortom om afval dat vaak en structureel vrijkomt in het bedrijf of de organisatie.

Hoe bepaal ik de totale oppervlakte van een bedrijf?

Voor het bepalen van het totale oppervlak wordt de oppervlakte gebruikt die bij de huur of koop van de ruimte is vastgelegd. De totale oppervlakte omvat zowel de ruimte in het pand als de eigen buitenruimte.

Als de gemeente bij verordening heeft bepaald dat het plaatsen van afvalcontainers in (een deel van) de eigen buitenruimte verboden is, dan hoeft dit deel van het oppervlak niet meegenomen te worden in het totale oppervlak.

Hoe bereken ik de hoeveelheid afval per week?

De hoeveelheid afval wordt gemeten in liters per week. Hoeveel liter bedrijfsafval u laat ophalen, staat in uw contract met de afvalinzamelaar.

  • Het gaat om het totale volume van containers voor restafval en eventueel papier en karton, GFT of swill, glas, plastic folie, groenafval, houtafval en textiel.
  • Meerdere containers moet u bij elkaar optellen.
  • Als deze vaker of minder vaak dan eenmaal per week wordt geleegd, rekent u dit om naar de hoeveelheid per week.

Rekenvoorbeeld:

U laat wekelijks een container met restafval van 240 liter afvoeren. Daarnaast laat u elke 4 weken een container van 240 liter met papier afvoeren. Dit is omgerekend 240 / 4 = 60 liter papier per week. In totaal heeft u wekelijks dus 240 liter restafval + 60 liter papier. U heeft in totaal 300 liter afval per week.

Wat als mijn bedrijf met meerderen bedrijven op één locatie zit?

De uitzonderingen zijn bedoeld voor echt kleine bedrijven. Bedrijven die weinig mogelijkheid hebben om binnen hun locatie ruimte te maken voor verantwoord opslaan en afvoeren van afval of die in totaal weinig afval hebben.

Misschien zit u op een locatie waar meerdere bedrijven gevestigd zijn, zoals bedrijfsverzamelgebouwen, en/of op een locatie of evenement met meerdere horecaconcepten of een station met winkels en horeca. Voor locaties met meerdere bedrijven en waar de verzamelcontainers op een centrale plaats staan, gelden de uitzonderingen voor weinig m2 ruimte en weinig liter afval per week niet. De uitzonderingen worden berekend over het geheel van de locatie en niet voor kleinere onderdelen binnen dat geheel.

Welke regels gelden voor tijdelijke evenementen?

Volgens de Omgevingswet  gelden de regels voor afvalscheiding ook voor evenementen.

Voor tijdelijke evenementen geldt dat gescheiden houden van afval wordt vereist voor alle soorten afval die alle bedrijven altijd moeten scheiden. Daarnaast moeten ze ook bepaalde afvalsoorten scheiden als die in grotere hoeveelheden ontstaan. In de Afvalwijzer voor bedrijven op Ondernemersplein vult u bij de vraag over de hoeveelheid afval per week het antwoord ‘minder dan 240 liter per week’ in.

Voor evenementen die wel regelmatig plaatsvinden (maandelijks, wekelijk, dagelijks) en/of plaatsvinden op structureel daarvoor ingerichte locaties, gelden dezelfde regels als voor andere bedrijven zoals beschreven in het CMP. In de Afvalwijzer voor bedrijven vult u de volumes in van de containers die u voor afval heeft.

Waarom is het nog niet verplicht om plastic of PMD te scheiden?

De inzameling en verwerking van plastic verpakkingen (in combinatie met blik en drinkpakken, ook wel PBD of PMD genoemd) is nog in ontwikkeling. Gemeenten ontvangen voor verpakkingen van huishoudens een vergoeding van de producenten van verpakkingen. Bedrijven kunnen sinds kort hun verpakkingsafval kostenloos laten inzamelen via Afval goed geregeld. Hiermee voeren producenten hun verplichtingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid uit.

In de toekomstplannen van het CMP staat dat de regels naar aanleiding hiervan opnieuw zullen worden bekeken.

Zie voor informatie over de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) voor verpakkingen UPV verpakkingen op Afvalcirculair.nl.

Is afvalscheiding ook verplicht in publieke of (semi) openbare ruimtes?

In situaties waar medewerkers voornamelijk het afval produceren en weggooien, is afvalscheiding goed mogelijk met de juiste organisatie en communicatie.

In (semi) openbare buiten- en binnenruimten is goede afvalscheiding lastiger te realiseren. Het afval raakt makkelijker vervuild. Dat komt vooral doordat er veel verschillende particulieren komen en het met name gaat om consumptieafval zoals verpakkingen vervuild met etensresten.

Afval scheiden is daarom verplicht op de plekken waar voornamelijk medewerkers het afval produceren. In publieke ruimten waar voornamelijk particulieren het afval weggooien, wordt dit wel gestimuleerd, maar is het nog niet wettelijk verplicht.

  • Wel verplicht: op de plekken waar voornamelijk medewerkers het afval produceren moet wel altijd gescheiden worden. Het gaat dan om de niet-publieke delen zoals de werkplekken van medewerkers, achter de balie in winkels en horeca en in de productieruimte of keuken, inclusief het afval dat terugkomt van tafelbediening.
  • Niet verplicht, wel wenselijk: ruimtes waar voornamelijk particulieren (zoals bezoekers, klanten, leerlingen, leden) het afval weggooien. Het gaat om de publieke buiten- en binnenruimtes van bijvoorbeeld winkelcentra, stations, attractieparken, onderwijsinstellingen, sportfaciliteiten of fastfoodrestaurants. Het maakt geen verschil of er door de particulieren voor toegang wordt betaald.

Zie ook Gescheiden houden bedrijfsafval en gevaarlijk afval.

Wanneer is nascheiding toegestaan?

Het uitgangspunt van de wet en het CMP is dat afval aan de bron gescheiden moet worden gehouden. Bijvoorbeeld papier, karton, glas, GFT, swill, groenafval, piepschuim, textiel en matrassen moet altijd aan de bron gescheiden worden, omdat het anders te vuil wordt voor recycling.

Sommige afvalstoffen kunnen toch goed worden nagescheiden uit restafval. Ook kunnen combinaties van droge afvalstoffen samen ingezameld worden. Het afval wordt dan met handmatige of mechanische nascheiding gescheiden.

In het paragraaf 3.1 Bron- en nascheiden van  'Gescheiden houden bedrijfsafval en gevaarlijk afval' staat meer informatie.

Is het samen inzamelen van verschillende afvalstoffen toegestaan?

Het samen inzamelen van deze afvalstoffen in een voertuig is wel toegestaan als de afvalstoffen niet met elkaar vermengd raken. Bijvoorbeeld omdat een of beide afvalstoffen in verschillende compartimenten, een goed afgesloten zak of ander inzamelmiddel zitten.

Wat zijn de regels voor het scheiden van bouw- en sloopafval?

Voor het gescheiden houden en gescheiden afvoeren van bouw- en sloopafval van bouwwerken gelden aparte regels.

Onder de Omgevingswet staat dit in artikelen 7.25 en 7.26 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Zie voor meer informatie het scheiden van bouw- en sloopafval op de website van IPLO.

Voor afval van de productie van bouwmaterialen, zoals steenachtig materiaal en asfalt, geldt wel paragraaf 4 Toetsingskaders CMP van 'Gescheiden houden bedrijfsafval en gevaarlijk afval'. Dat geldt ook voor bouw- en sloopafval van bijvoorbeeld wegen of sporen. De Bbl is namelijk alleen van toepassing op ‘bouwwerken’.

Veelgestelde vragen over zeer zorgwekkende stoffen (ZZS)

Waarom is beleid voor het verwerken van afval met ZZS nodig?

Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) zijn gevaarlijke stoffen. Ze zijn kankerverwekkend, giftig voor de voortplanting of hebben andere gevaarlijke eigenschappen (REACH, art.57). ZZS worden in heel veel producten gebruikt en komen dus ook in veel afvalstoffen voor.

Als uit afval nieuwe producten worden gemaakt,  moet  onaanvaardbare blootstelling aan die gevaarlijke stoffen zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit wordt steeds belangrijker omdat het beleid ook gericht is op het zoveel mogelijk opnieuw gebruiken van materialen.

Deze twee aspecten samen vragen om specifiek beleid voor afval waarin ZZS zit. Dit beleid is in het CMP in ZZS en overige zorgstoffen beschreven.

Waar vind ik meer info over ZZS in afval?

Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) zijn gevaarlijke stoffen. Ze zijn kankerverwekkend, giftig voor de voortplanting of hebben andere gevaarlijke eigenschappen (REACH art.57). Voor ZZS geldt volgens het stoffenbeleid een minimalisatieplicht voor emissies naar lucht en lozing naar water (zie hiervoor de pagina Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) van IPLO). Voor de verwerking van ZZS in afvalstoffen gelden aanvullend hierop de bepalingen in het CMP.

Recycling en blootstelling

ZZS worden in heel veel producten gebruikt en komen dus ook in veel afvalstoffen voor. Als uit dat afval vervolgens weer nieuwe producten worden gemaakt, kan onaanvaardbare blootstelling aan die ZZS optreden. Dit wordt steeds belangrijker omdat het beleid ook gericht is op het zoveel mogelijk opnieuw gebruiken van materialen ter bevordering van de circulaire economie.

Deze twee aspecten samen vragen om specifiek beleid voor afval waarin ZZS zit. Dit is in het CMP in ZZS en overige zorgstoffen, Mengen van afvalstoffen en Afvalstof of niet-afvalstof beschreven.

Afscheiden of vernietigen van ZZS

De informatie in ZZS en overige zorgstoffen is met name van belang voor afvalstoffen die nuttig toegepast moeten worden. Als in een afvalstoffen relatief hoge concentraties ZZS voorkomen, dan moet een bedrijf eerst nagaan of het mogelijk is om die ZZS uit het materiaal af te scheiden of te vernietigen met behoud van het overige materiaal. Voor het verwerken van ZZS-houdend afval is geen risicoanalyse nodig.

Andersom mag een bedrijf een afvalstof met relatief hoge concentraties ZZS niet zomaar in zijn geheel verwijderen. Verwijderen mag pas als nuttige toepassing van het afval door de ZZS niet mogelijk is en de ZZS ook niet uit het afval kan worden afgescheiden of omgezet tot niet-schadelijke stoffen. ‘ZZS en overige zorgstoffen’ beschrijft wanneer sprake is van relatief hoge concentraties ZZS.

Mengen van afval met ZZS

De inhoud van Mengen van afvalstoffen is in de volgende gevallen relevant voor afvalstoffen met ZZS:

  1. Het mengen van gevaarlijk afval, omdat de concentratiegrenswaarde voor ZZS in een aantal gevallen ook de concentratie is waarbij sprake is van gevaarlijk afval.
  2. Het mengen van afvalstoffen die PBT- of zPzB-stoffen of stoffen van ‘gelijkwaardige zorg’ bevatten in een concentratie van 0,1% (m/m) of hoger.
  3. Het mengen van POP-rijke afvalstoffen.

In beginsel moeten gevaarlijke stoffen uit de afvalstof worden afgebroken of afgescheiden, maar in sommige gevallen is mengen ook toegestaan. Meer leest u in Mengen van afvalstoffen’ van het CMP.

Afvalstof of niet-afvalstof

Als een bedrijf na de verwerking een materiaal of product wil verhandelen als niet-afvalstof, moet dit voldoen aan de voorwaarden voor einde-afvalstoffen. Bij die beoordeling wordt ook naar aanwezige ZZS én naar andere zorgstoffen gekeken. Onderdeel is mogelijk een risicoanalyse voor niet-genormeerde stoffen (zie Afvalstof of niet-afvalstof in het CMP).

Overzicht van afvalstoffen met ZZS

Een hulpmiddel bij de identificatie van ZZS is de ZZS in afval Zoeker van het RIVM. Deze databank bevat naar analogie met de ZZS-navigator informatie over de ZZS die in de diverse afvalstoffen aangetroffen kunnen worden. De basis voor deze ZZS in afval Zoeker is het rapport ZZS in afvalstoffen – update 2019 (SGS Intron 2019) aangevuld met informatie uit het Briefrapport ZZS in de ketenplannen (RIVM). Dit hulpmiddel stelt afvalverwerkers én bevoegde gezagen in staat om het risico op aanwezigheid van (bepaalde) ZZS in afvalstoffen beter in te kunnen schatten.

Meer informatie over ZZS

Een lijst van ZZS en informatie per stof is te vinden op de website risico’s van stoffen van het RIVM. Informatie over emissies van ZZS naar water en lucht is te vinden op de pagina Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) van IPLO.

Waarom is de stoffenwetgeving van REACH niet voldoende?

REACH regelt of bepaalde ZZS wel of niet in producten mogen zitten en op de markt mogen worden gebracht. Van de circa 2.500 ZZS die bij het RIVM bekend zijn, zijn in het kader van REACH ongeveer 140 stoffen beoordeeld. Deze zijn op de autorisatielijst of de restrictielijst geplaatst. Daarnaast staan er ook stoffen op de kandidaatslijst van REACH. Dat betekent dat die nog verder beoordeeld worden. Voor nog niet beoordeelde ZZS gelden dus (nog) geen specifieke regels.

Gelet op de risico’s van ZZS is het belangrijk dat verantwoord wordt omgegaan met afval waarin deze ZZS voorkomen. Daarom is in  ZZS en overige zorgstoffen, Mengen van afvalstoffen en Afvalstof of niet-afvalstof een specifieke beleidslijn geformuleerd.

Wat is de juridische basis om ZZS te toetsen in een vergunningaanvraag?

De juridische basis voor een beoordeling van verwerking van afval met ZZS is artikel 8.9 lid 2 van het Besluit Kwaliteit leefomgeving (bkl). Hierin staat dat het bevoegd gezag bij het verlenen van omgevingsvergunningen, onderdeel milieu, rekening moet houden met artikel 10.14 van de Wm en dus met het CMP. Deze verplichting betreft niet alleen de omgevingsvergunningen voor afvalverwerkers, maar ook de vergunningen voor bedrijven waar afval vrijkomt.

Welke hulpmiddelen zijn er om dit beleid uit te voeren?

Website RIVM:

Op de website ‘risico’s van stoffen’ van het RIVM is een lijst te raadplegen met alle bekende ZZS en de wet- en regelgeving die op deze stoffen betrekking heeft.

Overzicht van afvalstoffen met ZZS:

Op de website van RIVM is ook de ZZS in afval Zoeker te vinden. Deze databank bevat naar analogie met de ZZS-navigator informatie over de ZZS die in de diverse afvalstoffen aangetroffen kunnen worden. De basis voor deze ZZS in afval Zoeker is het rapport ZZS in afvalstoffen - update 2019 (SGS Intron 2019) aangevuld met informatie uit het Briefrapport ZZS in ketenplannen (RIVM). Dit hulpmiddel stelt afvalverwerkers én bevoegde gezagen in staat om het risico op de aanwezigheid van ZZS in afvalstoffen beter in te kunnen schatten.

Is chroom-VI gecoat metaalschroot gevaarlijk afval?

De Helpdesk Afvalbeheer krijgt meermaals vragen over de classificatie binnen de Eural-codelijst van metaalafval van bouw- en sloopwerkzaamheden dat voorzien is van een corrosiewerende coating of verf die een chroom-VI verbinding bevat.

De concentratie aan chroom-VI bepaalt of dit metaal geclassificeerd moet worden als gevaarlijk afval (euralcode 17 04 09*) of niet. De vraag daarbij is of de concentratie aan chroom-VI beschouwd moet worden in de coating zelf of t.o.v. de totale massa van het metaal waar het op zit. In het eerste geval overschrijdt de concentratie meestal de grenswaarde van 0,1% waarboven sprake is van gevaarlijk afval (op grond van de CLP-verordening), in het laatste geval niet.

Het document waarin de Europese Commissie de classificatie volgens de Eural-codelijst toelicht, de Commission notice on technical guidance on the classification of waste, is op dit punt niet eenduidig. Desgevraagd heeft de Commissie aan het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat aangegeven dat de concentratie chroom-VI in de totale massa van het metaalafval bepalend is voor de classificatie.

Gezien de gevaareigenschappen van chroom-VI verbindingen, die met name optreden bij bewerkingen van met chroom-VI behandeld metaal waarbij de coating als stofdeeltjes in de atmosfeer terechtkomt, is het van belang dat ontdoeners de verwerkers in ieder geval gedegen informeren over de (mogelijke) aanwezigheid van deze gevaarlijke stof. ProRail, Rijkswaterstaat en het Rijksvastgoedbedrijf hebben in dit licht - met expertise uit de markt – een beheersregime opgesteld voor het werken met chroom-VI. Hierin is voor de gangbare werkzaamheden aan met chroom-VI behandeld metaal vastgelegd welke preventieve beheersmaatregelen moeten worden genomen.

Veelgestelde vragen over ZZS en Besluit melden

Wat is de juridische status van de 'Handreiking voor de uitvoering van de informatieverplichting over ZZS in afvalstoffen in het Besluit melden'?

De ‘Handreiking voor de uitvoering van de informatieverplichting over ZZS in afvalstoffen in het Besluit melden’ van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat geeft een manier van uitvoeren weer die volgens het ministerie een goede invulling geeft aan de bedoeling van de nieuwe informatieverplichting ZZS in het Besluit melden (het tegengaan van verspreiding van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) in het milieu). De handreiking is niet juridisch bindend, maar in geval van een juridisch geschil over de uitvoering (tussen een bedrijf en zijn bevoegd gezag of tussen bedrijven onderling), kan de handreiking behulpzaam zijn om een afweging te maken. Een partij die een andere uitvoering verlangt dan staat aangegeven in de handreiking van het ministerie dat voor de wetgeving verantwoordelijk is, kan van de rechter de vraag verwachten om te motiveren waarom die een andere afweging maakt.

De handreiking biedt ook steun aan een afvalverwerker die van een ontdoener ZZS-namen verstrekt krijgt zonder nadere toelichting over de feitelijke aanwezigheid van de ZZS. De handreiking geeft namelijk aan dat het belangrijk is dat de ontdoener nagaat welke van de ZZS die genoemd staan in zijn milieuvergunning en/of VRP feitelijk wel en niet in de afvalstof te verwachten zijn (aan de afvalstof “te relateren” zijn). Dit kan de ontdoener doen volgens de handreiking (nagaan of de genoemde ZZS gebruikt wordt, gemaakt wordt, ontstaat of door andere oorzaak aanwezig is in het bedrijfsonderdeel waaruit de afvalstof afkomstig is) en/of door een chemische analyse te laten uitvoeren. Een ontdoener die dit verzuimt, schiet volgens de handreiking tekort in het voldoen aan zijn verplichting om de ontvanger van zijn afvalstof adequaat te informeren.

Als een bedrijf en zijn bevoegd gezag overeenstemming hebben over een bepaalde manier van afwijken van de handreiking, kan dat.

Moet ik aan mijn afvalverwerkers elke naam verstrekken van elke ZZS die in mijn afvalstof aanwezig kan zijn?

Het Besluit melden zegt dat u de benaming van de ZZS moet verstrekken:

(i) zoals opgenomen in uw omgevingsvergunning;

(ii) zoals opgenomen in de informatie die u aan uw bevoegd gezag verstrekt heeft over de emissies van die stoffen naar de lucht of het water.

De documenten bedoeld onder (ii) zullen in praktijk zijn: het vermijdings- en reductieprogramma en eventuele andere stukken die u in dat kader aan uw bevoegd gezag heeft verstrekt.

De Handreiking informatieverplichting ZZS Besluit melden geeft aanvullende aanwijzingen om te voorkomen dat u namen verstrekt van ZZS die feitelijk niet in de afvalstof te verwachten zijn.

Als in de documenten bedoeld onder (i) en (ii) een onder de ZZS vallende stofgroep met een verzamelnaam staat aangeduid (bijv. “PFAS” of een bepaalde subgroep van PFAS), zonder dat individuele leden van die stofgroep staan uitgeschreven, voldoet u aan de verplichting van het Besluit melden als u de verzamelnaam verstrekt aan uw afvalverwerkers.

Als er wel namen van individuele stoffen van de stofgroep staan uitgeschreven, moet u die individuele stofnamen ook verstrekken aan uw afvalverwerker(s), tenzij voor bepaalde individuele stoffen is vastgesteld dat ze geen ZZS zijn.

Wat moet ik doen met ZZS waarvan ik weet dat ze in mijn inrichting aanwezig zijn, mogelijk ook in het afval, maar die niet genoemd zijn in de vergunning of het vermijdings- en reductieprogramma?

Dan verplicht het Besluit melden er niet toe dat u uw afvalverwerkers over deze ZZS informeert.

Wel kan het niet-noemen van aanwezigheid van ZZS, terwijl uw bedrijf beschikt over informatie waaruit volgt dat deze ZZS schade toebrengt aan het milieu/de volksgezondheid, een schending opleveren van de zorgvuldigheidsnorm genoemd in artikel 6:162 Burgerlijk wetboek. (Zie hiervoor de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam inzake de civiele aansprakelijkheid van Chemours jegens vijf gemeenten in het tijdvak 1984-1998, onder meer overweging 6.17 en 6.22.)

Ook kunnen bepalingen in uw contract met uw afvalverwerker vereisen dat u hem informatie over aanwezige ZZS verstrekt, ook als dat niet hoeft op grond van het Besluit melden.

U kunt tenslotte ook uit eigen beweging, vanuit uw beleid voor milieu-verantwoord ondernemen en omwille van een goede relatie met de verwerker(s) van het betreffende afval, ervoor kiezen om de informatie te delen.

Op welke wijze moet ik de informatie aan mijn afvalverwerker verstrekken?

Op grond van Wet milieubeheer art.10.39(verwijst naar een andere website), tweede lid, moet de verstrekte informatie over “aard, eigenschappen en samenstelling” van een afvalstof worden opgenomen in de begeleidingsbrief die bij afvaltransport wordt meegegeven. Voor de ZZS-namen kan het vrije veld van het format gebruikt worden. Als de lijst stofnamen, inclusief eventuele aanvullende informatie die u daarbij wilt geven, te groot is om in het vrije veld te passen, kunt u een aparte pagina aanhechten als bijlage.

Maar het (elektronische) format van de begeleidingsbrief is in praktijk vaak niet geschikt om deze informatie op te nemen. Het bijvoegen van een bijlage met extra informatie (over bijvoorbeeld ZZS) is in elektronische formats ook niet altijd mogelijk.

Zoals de Handreiking informatieverplichting ZZS Besluit melden aangeeft, is de Informatie over ZZS van belang in het acceptatieproces dat aan afvaltransporten vooraf gaat. In het acceptatieproces wordt de informatie over “aard, eigenschappen en samenstelling” van een afvalstof in de praktijk vastgelegd. Bij voorkeur gebeurt ook de melding van ZZS (met eventuele aanvullende beschikbare informatie) in het acceptatieproces tussen ontdoener en verwerker.

Gezien de verplichting in artikel 10.39, tweede lid, van de Wm, wordt aanbevolen om in de begeleidingsbrief, als er sprake is van gemelde ZZS, een standaardzin op te nemen zoals: "ZZS-informatie is verstrekt aan de ontvanger en beschikbaar voor inzage in de administratie van ontdoener en verwerker”.

Wat te doen als mijn afvalverwerker mij meer informatie vraagt dan ik op grond van het Besluit melden verplicht ben te geven?

U gaat dan daarover met uw afvalverwerker het gesprek aan.

De formulering van de informatieplicht in het Besluit melden bevat de woorden “ten minste”. Dit betekent, dat uw afvalverwerker u om méér informatie kan vragen; bijvoorbeeld om naast de naam van de ZZS ook informatie te krijgen over de concentratie van de ZZS in de afvalstof. Welke extra informatie een afvalverwerker precies nodig heeft om een afvalstof veilig te kunnen verwerken, verschilt van geval tot geval. Daarom is dit niet in het Besluit melden vastgelegd.

Als de afvalverwerker te weinig informatie heeft om verantwoorde verwerking van uw afvalstof te borgen, kan hij die niet meer innemen. Eventueel kan hij benodigd onderzoek zelf uitvoeren en het innametarief voor uw afvalstof verhogen om de onderzoekskosten te compenseren. Het is daarom verstandig om zo vroeg mogelijk met uw afvalverwerker het gesprek aan te gaan. Wat heeft hij precies nodig? Heeft u die informatie al of vraagt het metingen? Hoe zijn die het meest efficiënt te doen? Door wie?

Extra toelichting:

Het Besluit melden geeft nadere invulling aan een aantal artikelen in de Wet milieubeheer. Artikel 10.39(verwijst naar een andere website) van die wet zegt (in het eerste lid) dat degene die een afvalstof afgeeft daarbij informatie moet verstrekken over de “aard, eigenschappen en samenstelling” van de afvalstof. In principe kan dit heel veel informatie omvatten. Van belang is alleen informatie die de afvalverwerker nodig heeft om de afvalstof veilig en milieu-verantwoord te kunnen verwerken (eventueel recyclen). De afvalverwerker moet in eerste instantie zelf bepalen welke informatie hij nodig heeft, maar zijn bevoegd gezag (omgevingsdienst) moet dat ook beoordelen en hem zo nodig aansporen om voldoende informatie te verkrijgen.

Voor wie zijn de kosten van extra onderzoek (bijv. metingen)?

De Wet milieubeheer zegt in artikel 10.39(verwijst naar een andere website), eerste lid, dat degene die een afvalstof afgeeft (de “ontdoener”) daarbij informatie moet verstrekken over de “aard, eigenschappen en samenstelling” van de afvalstof. Het verstrekken van informatie is dus de verantwoordelijkheid van de ontdoener en daarmee zijn de kosten ook voor hem. Dit is in lijn met het algemene principe in het milieubeleid “de vervuiler betaalt”.

De ontdoener kan met zijn afvalverwerker bespreken wie eventueel benodigd onderzoek (metingen) het best (meest efficiënt) kan uitvoeren; de ontdoener of de afvalverwerker. Degene die het onderzoek op zich neemt kan uiteraard gebruik maken van externe deskundigheid, bijv. een laboratorium van een derde partij.

Als wordt afgesproken dat de afvalverwerker het benodigde extra onderzoek uitvoert (of laat uitvoeren door een derde) kan deze de kosten doorberekenen aan de ontdoener, bijvoorbeeld door middel van een verhoogd innametarief. De afvalverwerker kan eventueel zijn onderzoekskosten voor meerdere afvalstromen uitmiddelen over de betreffende klanten. Dit zijn de eigen commerciële overwegingen van de afvalverwerker.

Ik heb meerdere afvalstromen. Die verschillen (sterk) qua samenstelling, ook wat betreft aanwezige ZZS. Kan ik niet beter per afvalstroom alleen de namen verstrekken van ZZS die er werkelijk in zitten?

Zoals de Handreiking informatieverplichting ZZS Besluit melden aangeeft, zou u naar de letter van het Besluit melden aan uw afvalverwerkers de namen van alle ZZS moeten verstrekken die in uw milieu¬vergunning en/of uw VRP staan genoemd. U voldoet dan aan de wetgeving, maar doet hiermee vaak “loze” meldingen, want in een deel van uw afvalstoffen zullen de gemelde ZZS feitelijk niet te verwachten zijn. Een ZZS staat genoemd in de milieuvergunning en/of het VRP omdat deze ZZS in een bepaald bedrijfsonderdeel gebruikt wordt, gemaakt wordt, ontstaat of door andere oorzaak aanwezig is. De ZZS is dan niet verwachten in een afvalstof die afkomstig is van een ander onderdeel van het bedrijf.

Daarom geeft de handreiking aan dat het de bedoeling is dat ontdoeners een ZZS die ze op grond van artikel 10 van het Besluit melden moeten melden, alleen melden als die ZZS relevant is voor de afgegeven afvalstof. Met “relevant” wordt bedoeld dat een ZZS wordt gebruikt, wordt gemaakt, ontstaat of door een andere oorzaak aanwezig is in het onderdeel van het bedrijf waar de afvalstof vandaan komt.

Als u toch alle ZZS-namen aan uw afvalverwerker verstrekt die genoemd staan in uw milieuvergunning en vermijdings- en reductieprogramma, is het aan te raden om daarbij aanvullend te vermelden welke van de genoemde ZZS er niet in zitten, met een toelichting waarom niet. Zo krijgt de verwerker de juiste informatie. Zonder de aanvullende informatie zal de verwerker u waarschijnlijk benaderen met vragen over de aanwezigheid van de ZZS.

Mijn bedrijf heeft geen omgevingsvergunning nodig en heeft geen verplichting voor een vermijdings- en reductieprogramma voor emissies van ZZS. Wat betekent deze aanpassing van het Besluit melden voor mij?

Deze aanpassing van het Besluit melden levert u geen nieuwe verplichting op.

Maar u kunt als ontdoener van afvalstoffen altijd vragen krijgen van uw afvalverwerker(s) over de aanwezigheid van ZZS of andere eigenschappen van een afvalstof die u afgeeft. U moet de gevraagde informatie verstrekken als u die heeft, of er rekening mee houden dat u kosten doorberekend krijgt van onderzoek dat uw afvalverwerker moet (laten) doen omdat u de informatie niet kunt geven. Dit staat los van de nieuwe bepalingen in het Besluit melden.

Kan mijn bevoegd gezag mij als ontdoener een informatieplicht opleggen aanvullend op de verplichting onder het Besluit melden?

Ja. Artikel 8.29, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving(verwijst naar een andere website) geeft bevoegd gezag de mogelijkheid om in vergunningen aanvullende informatie­verplichtingen op te leggen, met als motivatie dat het ontbreken van de aanvullende informatie tot extra risico leidt in de verwerking van het afval. Dit volgt zoals gezegd uit de bestaande regelgeving rond vergunningverlening en hiervoor gelden de gebruikelijke procedures voor overleg en eventueel bezwaar en beroep. Het staat los van de aanpassing van het Besluit melden.


Vragen of opmerkingen

Voor vragen over het CMP kunnen overheden en bedrijven contact opnemen met de Helpdesk Afvalbeheer.

Contactformulier

Samen werken aan een circulair Nederland

Het Circulair Materialenplan (CMP) ondersteunt de transitie naar een circulaire economie. Het is de opvolger van het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP).  Met het CMP biedt het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat praktische kennis en kaders aan overheden en bedrijven.

Meer over het CMP

Direct naar

  • Contact
  • Veelgestelde vragen
  • Begrippenlijst
  • Bibliotheek

Over deze site

  • Persoonsgegevens
  • Toegankelijkheid
  • Persvoorlichting
  • Archief
  • Cookies
  • Kwetsbaarheid melden